ECLI:NL:RBAMS:2009:BK4842
Rechtbank Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Beslissing over hoger beroep tegen voorlopige hechtenis en schorsing daarvan
Op 2 november 2009 diende de officier van justitie bij de rechter-commissaris een vordering tot inbewaringstelling in wegens poging doodslag (feit 1) en poging zware mishandeling (feit 2). De rechter-commissaris wees de vordering voor feit 1 af en wees die voor feit 2 toe, maar schorste de voorlopige hechtenis onder voorwaarden.
De officier van justitie stelde hiertegen hoger beroep in bij de rechtbank Amsterdam. De rechtbank overwoog dat het aan de wetgever is om te bepalen tegen welke beslissingen hoger beroep mogelijk is en dat het recht van het OM om hoger beroep in te stellen niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro. Ook werd geoordeeld dat de verdediging voldoende gelegenheid had om videobeelden te bekijken en zich voor te bereiden, zodat het beginsel van equality of arms niet was geschonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond voor de afwijzing van de inbewaringstelling ten aanzien van feit 1, maar gegrond voor de schorsing van de voorlopige hechtenis ten aanzien van feit 2. De schorsing werd vernietigd en het verzoek tot schorsing afgewezen. Hierbij werd rekening gehouden met de ernst van de feiten, eerdere veroordelingen van verdachte en het maatschappelijke belang van voortzetting van voorlopige hechtenis, dat zwaarder woog dan persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Uitkomst: Het beroep tegen afwijzing inbewaringstelling is ongegrond, het beroep tegen schorsing voorlopige hechtenis is gegrond, waardoor de voorlopige hechtenis wordt voortgezet.