ECLI:NL:RBAMS:2009:BK6378
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verbod GVB op zichtbaar dragen ketting met kruis tijdens werktijd gegrond
De zaak betreft een geschil tussen een tramconducteur van GVB en zijn werkgever over het zichtbaar dragen van een ketting met een kruis als uiting van zijn geloof. GVB voerde een algemeen verbod in op het zichtbaar dragen van kettingen over het uniform, met het oog op veiligheid en een professionele uitstraling.
De werknemer betoogde dat dit verbod discriminerend was, omdat vrouwelijke collega’s hun geloof wel zichtbaar konden uiten via een hoofddoek. GVB stelde dat de hoofddoek deel uitmaakt van het uniform en niet onzichtbaar gedragen kan worden, terwijl de ketting onder de kleding gedragen kan worden zonder afbreuk te doen aan de geloofsuiting.
De rechtbank oordeelde dat het kledingvoorschrift niet onredelijk is en dat het verbod op zichtbaar dragen van kettingen een algemeen beleid betreft zonder onderscheid naar geloof. Het alternatief om een armband of ring met kruis te dragen werd als passend beschouwd. De vordering van de werknemer werd afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af en bevestigt het verbod op zichtbaar dragen van de ketting met kruis over het uniform.