ECLI:NL:RBAMS:2009:BL6843
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering aandeel in waarde van restitueerd oorlogsschilderij wegens verjaring
Na restitutie van een tijdens de Tweede Wereldoorlog vervreemd schilderij aan de erfgenaam van de vennoot die de kunsthandel voortzette, vorderden de erven van de mede-vennoot een aandeel in de waarde van het schilderij. De vennootschapsovereenkomst uit 1939 bepaalde dat bij voortzetting van de onderneming uitkering aan de andere vennoot of diens erfgenamen moest plaatsvinden.
De rechtbank stelde vast dat het schilderij deel uitmaakte van de handelsvoorraad en dat de waarde daarvan reeds was opgenomen in de kapitaalrekening van de overleden vennoot. De vordering van de erven betrof dus een afrekening van het saldo van die kapitaalrekening.
De rechtbank oordeelde dat de vordering op het moment van voortzetting van de kunsthandel in 1945 opeisbaar was en dat de verjaringstermijn van 5 jaar, respectievelijk 20 jaar, inmiddels was verstreken. Een verklaring uit 1947 van de dochters van de overleden vennoot, waarin zij uitstel van betaling toezegden, kon niet verhinderen dat de vordering was verjaard.
De rechtbank wees de vordering af en veroordeelde de eisers in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af wegens verjaring en veroordeelt de eisers in de proceskosten.