Uitspraak
1.Procesgang
- het verzoek als bedoeld in artikel 226a Sv betreffende getuige F1 van 1 februari 2010 van mr. N.C.J. Meijering en mr. M.E. van der Werff namens [appellant 2] en [appellant 3] , alsmede mr. S.L.J. Janssen en mr. P.P.C.M. Waarts namens [appellant 1] ;
- de opmerkingen van de officier van justitie van 12 februari 2010;
- het verweer van mr. J.P.A. van Schaik namens [kroongetuige] van 2 april 2010;
- het schriftelijk stuk “Verhoor ex. Artikel 226a lid 2 Sv. inzake getuigen F1 en F3” van 6 april 2010 van mr. Mr. N.C.J. Meijering namens [appellant 2] en [appellant 3] ;
- de brief van mr. S.L.J. Janssen namens [appellant 1] van 7 april 2010 (abusievelijk gedateerd op 16 maart 2010) aan de rechter-commissaris;
- het proces-verbaal van bevindingen (art. 226a, tweede Sv) van 8 april 2010 van de rechter-commissaris;
- het proces-verbaal van verrichtingen en bevindingen (art. 226a, tweede lid Sv) van 9 april 2010 van de rechter-commissaris, inhoudende het verhoor van F1 door de rechter-commissaris;
- de beschikking ex artikel 226a Sv van 12 april 2010 van de rechter-commissaris;
- de pleitnotities van mr. S.L.J. Janssen, overgelegd in raadkamer;
- de pleitnotities van mr. N. Meijering, overgelegd in raadkamer;
- de aantekeningen van de officier van justitie, overgelegd in raadkamer.