ECLI:NL:RBAMS:2010:BK9114
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering overlevering op grond van gelijkstelling aan Nederlander wegens rechtmatig verblijf
De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot overlevering van een persoon aan Hongarije op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) wegens illegale handel in verdovende middelen. De opgeëiste persoon verbleef sinds 2001 rechtmatig in Nederland, maar zat een periode van ongeveer een jaar in detentie in Hongarije.
De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 6 van Pro de Overleveringswet (OLW), waarin is bepaald dat overlevering van een persoon die rechtmatig en onafgebroken vijf jaar in Nederland verblijft, kan worden geweigerd door gelijkstelling aan een Nederlander. De officier van justitie stelde dat het verblijf niet onafgebroken was vanwege de detentie in het buitenland, maar de rechtbank oordeelde dat dit geen verplaatsing van hoofdverblijf betekende.
De rechtbank baseerde zich hierbij op de Vreemdelingencirculaire 2000, waarin staat dat detentie in het buitenland geen vestiging van hoofdverblijf buiten Nederland inhoudt indien binnen zes maanden na detentie teruggekeerd wordt. De opgeëiste persoon kon derhalve worden gelijkgesteld aan een Nederlander en de overlevering werd geweigerd.
De rechtbank concludeerde dat niet aan de voorwaarden van de OLW was voldaan voor overlevering en wees de vordering af. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de opgeëiste persoon aan Hongarije wegens gelijkstelling aan Nederlander op grond van rechtmatig verblijf.