ECLI:NL:RBAMS:2010:BL6910
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Interpretatie van artikel 28, tweede lid, sub b, Verordening 1408/71 over bijdrageheffing bij AOW-pensioen
Eiser, woonachtig in Frankrijk en ontvanger van een AOW-pensioen, betwistte de inhouding van een bijdrage op zijn pensioen ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw) door verweerder. Het geschil betrof de uitleg van artikel 28, tweede lid, aanhef en sub b, van Verordening 1408/71, met name welke lidstaat verantwoordelijk is voor de kosten van ziektekostenverstrekkingen bij gepensioneerden.
Eiser stelde dat Finland, waar hij het langst verzekerd was voor ziektekosten, verantwoordelijk moest zijn, terwijl verweerder betoogde dat Nederland, waar hij het langst aan het sociale zekerheidsstelsel was onderworpen, de kosten moet dragen. De rechtbank analyseerde de tekst, context en doel van de Verordening en concludeerde dat het begrip 'wettelijke regeling' in artikel 28 specifiek Pro betrekking heeft op de pensioenregeling en niet op de ziektekostenverzekering of het gehele sociale zekerheidsstelsel.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie, met name het arrest Sulo Rundgren, en benadrukte dat de financiering van ziektekosten bij gepensioneerden aansluit bij het pensioenlandprincipe. De inhouding van bijdragen op het pensioen is toegestaan volgens artikel 33 van Pro de Verordening.
Daarom werd het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen bleven in stand: Nederland is de lidstaat voor wiens rekening de kosten komen en eiser is de bijdrage verschuldigd. Het betaalde griffierecht werd aan eiser vergoed.
Uitkomst: Nederland is de lidstaat voor wiens rekening de ziektekostenbijdrage op het AOW-pensioen van eiser komt.