ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6281
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toestemming overlevering opgeëiste persoon op grond van de Overleveringswet ondanks ontbreken Nederlandse rechtsmacht
De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot overlevering van een persoon aan Griekenland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De zaak kende meerdere zittingen en schorsingen, mede vanwege verzoeken om aanhouding en het ontbreken van een tolk.
De kernvraag betrof of de opgeëiste persoon, die geen Nederlander is, gelijkgesteld moet worden met een Nederlander voor het recht op terugkeergarantie volgens artikel 6, vijfde lid, van de Overleveringswet (OLW). De raadsman stelde dat het rechtsmachtvereiste discriminatoir is en dat prejudiciële vragen gesteld moeten worden. De rechtbank oordeelde dat het stellen van het rechtsmachtvereiste gerechtvaardigd is en niet in strijd met hogere rechtsbeginselen.
De rechtbank verwierp het verzoek om aanhouding tot naturalisatie, mede omdat de Immigratie- en Naturalisatiedienst aangaf dat naturalisatie niet voor mei 2011 mogelijk is. Ook werd geen aanleiding gezien om de zaak aan te houden voor overname van strafvervolging op grond van het Europees Rechtshulpverdrag.
Uiteindelijk concludeerde de rechtbank dat aan alle eisen van de OLW was voldaan en stond zij de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Griekenland toe ondanks het ontbreken van Nederlandse rechtsmacht.