ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3626
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verval uiterste wilsbeschikking na echtscheiding en uitleg testamentaire erfstelling
In deze zaak staat centraal of de stichting [X] erfgenaam is van de nalatenschap van wijlen mevrouw [D], conform haar testament van 4 oktober 1995. Na echtscheiding tussen [D] en [X] is de vraag gerezen of de uiterste wilsbeschikking ten gunste van de stichting nog geldig is, nu de stichting mede door [X] werd bestuurd.
De eisers stelden dat op grond van artikel 4:52 BW Pro de beschikking ten gunste van de echtgenoot vervalt door echtscheiding, en dat de stichting als afgeleide van [X] eveneens niet als erfgenaam kan worden beschouwd. De stichting betwistte dit en voerde aan dat het testament geldig is en de stichting als erfgenaam moet worden erkend.
De rechtbank overweegt dat het testament niet is gewijzigd na de echtscheiding en dat de wettelijke bepaling van artikel 4:52 BW Pro onmiddellijke werking heeft. De uitleg van het testament moet rekening houden met de omstandigheden en de bedoeling van de erflater, maar de bijzondere uitleg van 'overlijden' als 'er niet meer zijn als echtgenoot' wordt niet gevolgd. De voorwaarde voor erfstelling door de stichting is niet vervuld, omdat [X] niet is overleden.
Daarom vervalt de testamentaire beschikking ten gunste van [X] en de stichting, en zal de nalatenschap worden verdeeld volgens de wettelijke regels van erfopvolging bij versterf. De vorderingen van eisers worden toegewezen en die van de stichting afgewezen, met veroordeling van de stichting in de proceskosten.
Uitkomst: Het testament vervalt voor de stichting als erfgenaam na echtscheiding, waardoor de nalatenschap volgens de wettelijke regels wordt verdeeld.