ECLI:NL:RBAMS:2010:BO8912
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing voorlopige hechtenis verdachte in Passage-proces wegens onvoldoende ernstige bezwaren
Op 14 oktober 2010 verzocht de verdediging van verdachte de voorlopige hechtenis op te heffen. Het openbaar ministerie verzette zich hiertegen. De rechtbank overwoog dat de vereiste ernstige bezwaren voor voorlopige hechtenis onverkort aanwezig zijn, waardoor het primaire verzoek werd afgewezen.
Subsidiair werd op grond van artikel 67a lid 3 Sv verzocht de voorlopige hechtenis te beëindigen. Dit artikel bepaalt dat voorlopige hechtenis achterwege blijft als rekening moet worden gehouden met het feit dat bij veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt opgelegd of de hechtenis langer duurt dan de straf.
De rechtbank concludeerde dat alleen de feiten waarvoor verdachte momenteel in voorlopige hechtenis zit, te weten de Bilbao-zaak, in de afweging betrokken mogen worden. Gezien de straffen die aan medeverdachten in deze zaak zijn opgelegd, is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv. Daarom werd het subsidiaire verzoek toegewezen en de voorlopige hechtenis opgeheven.
De rechtbank verwierp het standpunt van het openbaar ministerie dat ook eerdere feiten of andere zaken betrokken moeten worden bij de afweging. De zaak blijft voor onbepaalde tijd aangehouden en verdachte blijft opgeroepen voor een zitting in week 44. De beslissing over onmiddellijke invrijheidstelling ligt bij het openbaar ministerie.
Uitkomst: De voorlopige hechtenis van verdachte in de Bilbao-zaak wordt opgeheven op grond van artikel 67a lid 3 Sv.