ECLI:NL:RBAMS:2010:BP4447
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en betaling vordering dochter uit ouderlijke boedelverdeling na overlijden moeder
De zaak betreft een vordering van dochter [A] en haar echtgenoot [B] tegen mede-erfgenamen en executeur over de nalatenschap van vader [H] en moeder [I]. Vader [H] overleed in 1998 en liet een ouderlijke boedelverdeling na, waarbij alle goederen aan moeder [I] toekwamen en de kinderen vorderingen wegens overbedeling kregen, opeisbaar bij overlijden van moeder [I].
Na het overlijden van moeder [I] in 2007 vordert [A] vaststelling en betaling van haar vordering wegens overbedeling (€80.726,08) en haar legitieme portie (€305.116,40). Tevens vordert zij inzage in bescheiden en opheffing van conservatoir beslag gelegd door [D]. De tegenpartijen voeren onder meer verweren over niet-ontvankelijkheid, onduidelijkheid over de omvang van de nalatenschap, en de benificiaire aanvaarding van de nalatenschap door sommige erfgenamen.
De rechtbank oordeelt dat de vordering van [A] wegens overbedeling toewijsbaar is op €80.726,08, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 6 oktober 2007. De legitieme portie wordt nog nader vastgesteld, onder meer door benoeming van een deskundige voor waardebepaling van de villa. De vordering van [B] tot vergoeding van kosten wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Het conservatoir beslag van [D] wordt opgeheven wegens het ontbreken van een tijdige hoofdzaak. De zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere proceshandelingen.
Uitkomst: Vordering wegens overbedeling vastgesteld op €80.726,08 en betaling veroordeeld; conservatoir beslag opgeheven.