ECLI:NL:RBAMS:2010:BR2022
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtsgeldigheid en uitleg van boetebeding bij bezwaar tegen vergunning in onroerendgoedtransactie
In deze civiele zaak staat centraal of een beding in een koopovereenkomst en leveringsakte, waarbij de verkoper afstand doet van het recht bezwaar te maken tegen een vergunning voor een woonark met botenloods, rechtsgeldig is en of de verkoper een contractuele boete verbeurt door toch bezwaar te maken.
De rechtbank stelt vast dat partijen diverse onroerende zaken hebben verkocht en geleverd, waarbij specifieke bepalingen zijn opgenomen over het gebruik van het perceel en het niet maken van bezwaar tegen vergunningen. De verkoper maakte bezwaar tegen een bouwvergunning, wat door de koper werd aangemerkt als schending van het beding en aanleiding gaf tot een boeteclaim.
De rechtbank oordeelt dat het beding rechtsgeldig is en niet in strijd met goede zeden of openbare orde. Het bezwaar van de verkoper is in strijd met dit beding, waardoor hij een boete van € 90.756,04 verbeurt. Daarnaast wordt geoordeeld dat de koper het recht op bezwaar van rechtswege heeft overgenomen. Verder wordt een mondelinge overeenkomst over verkoop van percelen aan de koper onderzocht en bewijsopdracht gegeven. Een vordering van de verkoper tot boete wegens vermeende onrechtmatige gedeeltelijke vervreemding wordt afgewezen op grond van redelijkheid en billijkheid.
De rechtbank wijst de vorderingen van de koper grotendeels toe, wijst de vorderingen van de verkoper af en veroordeelt de verkoper in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de verkoper tot betaling van de contractuele boete wegens bezwaar tegen vergunning en wijst overige vorderingen deels toe en deels af.