RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 09/3343 WRO
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
gemachtigde mr. L.A.A. van Wakeren,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen,
verweerder,
gemachtigde H.J. Brasser.
Tevens heeft als partij aan dit geding deelgenomen:
de besloten vennootschap [vergunninghouder] Bouwmaatschappij B.V.,
vergunninghouder.
Bij besluit van 12 december 2008 (het primaire besluit) heeft verweerder, onder verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan ‘Centrumgebied Dorp, 2e herziening’ (het bestemmingsplan), aan vergunninghouder een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een appartementengebouw c.a. op de locatie Havenstraat/Oranje Weeshuisstraat te Huizen (het perceel) .
Bij besluit van 11 juni 2009 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Bij besluit van 22 oktober 2009 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken en eisers bezwaarschrift tegen het primaire besluit wederom ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2010.
Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghouder zijn verschenen de heer [vertegenwoordiger 1] en de heer [vertegenwoordiger 2].
1. Ten aanzien van het bestreden besluit I
1.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit II een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat dit besluit niet geheel tegemoet komt aan het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit. Het beroep van eiser wordt, op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, dan ook geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II. Nu verweerder het bestreden besluit I heeft ingetrokken en gesteld noch gebleken is van enig belang bij een beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit I, zal de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit I vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaren.
1.2. Nu verweerder in het beroepschrift tegen het bestreden besluit I aanleiding heeft gezien dat besluit te herroepen, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten die eiser met het beroep tegen het bestreden besluit I redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden bepaald op € 322 voor het indienen van een beroepschrift. Het door eiser betaalde griffierecht wordt geacht mede te zijn voldaan ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit II.
2. Ten aanzien van het bestreden besluit II
2.1. Verweerder heeft in het bestreden besluit II overwogen dat het bestreden besluit I is ingetrokken, nu eiser er in beroep terecht op heeft gewezen dat ten tijde van dat besluit geen geldig voorbereidingsbesluit van kracht was. Verweerder is van oordeel dat dit formele gebrek met het voorbereidingsbesluit van 1 oktober 2009 is hersteld, zodat opnieuw op het bezwaar van eiser kon worden beslist. Verweerder heeft ten aanzien van eisers bezwaarschrift, kort gezegd, overwogen dat geen sprake is van zodanig onevenredige gevolgen voor eiser dat in redelijkheid niet tot het verlenen van vrijstelling had kunnen worden besloten en verwezen naar het advies van de bezwarencommissie van 24 april 2009.
2.2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder het bestreden besluit II na inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit van 1 oktober 2009, in strijd met artikel 6:18, derde lid, van de Awb heeft genomen, nu de inhoud en de strekking van dit besluit verder volledig overeenkomen met dat van het bestreden besluit I.
2.3. Onbetwist is dat ten tijde van het bestreden besluit I geen geldig voorbereidingsbesluit van kracht was, nu het voorbereidingsbesluit van 27 maart 2008 zijn gelding ingevolge artikel 21, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verloren had. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat artikel 6:18, derde lid, van de Awb niet in de weg staat aan het herstel van een vormgebrek in een besluit hangende de beroepsprocedure. Volgens vaste rechtspraak is bij een dergelijk herstel, door dat besluit om die reden in te trekken en gelijktijdig te vervangen door een nieuw, verbeterd besluit met dezelfde strekking, immers materieel sprake van een wijziging (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 januari 2009, te vinden op www.rechtspraak.nl met LJ-nummer BH1140, waarin werd overwogen dat artikel 6:18, derde lid, van de Awb niet in de weg staat aan het herstel van een bevoegdheidsgebrek).
2.4. Eiser heeft verder aangevoerd dat na de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit van 1 oktober 2009 een nieuwe bouwvergunningsprocedure had moeten worden gestart, zodat daarop niet de WRO, maar de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing is. Nu het verlenen van een vrijstelling onder de Wro niet meer mogelijk is, had verweerder de gevraagde bouwvergunning met het bestreden besluit II daarom verplicht moeten weigeren, aldus eiser.
2.5. Op 1 juli 2008 is de Wro in werking getreden. Ingevolge het overgangsrecht van de Wro, blijft op bouwaanvragen ingediend vóór 1 juli 2008 de WRO van toepassing. Nu de bouwaanvraag van vergunninghouder dateert van 8 april 2008, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit II dan ook terecht aan de WRO heeft getoetst. Dat hangende de beroepsprocedure een nieuw voorbereidingsbesluit van kracht is geworden doet daar niet aan af. Anders dan eiser, is de rechtbank van oordeel dat verweerder dan ook geen aanleiding hoefde te zien om vanwege het voorbereidingsbesluit van 1 oktober 2009 een nieuwe bouwvergunningsprocedure te starten, het primaire besluit te herroepen en de bouwvergunning alsnog te weigeren.
2.6. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder met het bestreden besluit I - en door intrekking van dat besluit ook met het bestreden besluit II - de wettelijke beslistermijn ingevolge artikel 7:10 van de Awb ruimschoots heeft overschreden. Volgens eiser is dit in strijd met de rechtszekerheid.
2.7. De rechtbank overweegt dat de beslistermijnen genoemd in artikel 7:10 van de Awb termijnen van orde zijn. Tegen de overschrijding van de beslistermijn door een bestuursorgaan staan rechtsmiddelen open. Nu eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift gericht tegen het primaire besluit, alvorens het bestreden besluit I werd genomen, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om het bestreden besluit II onrechtmatig te achten vanwege strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
2.8. Onbetwist is dat ten tijde van het primaire besluit het voorbereidingsbesluit van
27 maart 2008 van kracht was, zodat werd voldaan aan de voorwaarde van artikel 19, vierde lid, aanhef en onder b, van de WRO en verweerder op dat moment bevoegd was om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. De rechtbank stelt dan ook vast dat eiser door het instellen van beroep tegen het bestreden besluit I en het herstel door verweerder van het vormgebrek met het voorbereidingsbesluit van 1 oktober 2009 hangende de beroepsprocedure, niet in een slechtere positie is komen te verkeren.
2.9. Eiser heeft aangevoerd dat de vrijstelling voor hem zodanige onevenredige gevolgen heeft dat verweerder in redelijkheid van verlening daarvan had behoren af te zien. Volgens eiser ontbreekt een goede ruimtelijke onderbouwing voor de hoogte van het bouwwerk en de verdrievoudiging van het aantal toegestane woningen van vijf naar vijftien. Eiser stelt dat realisering van het bouwplan meer schaduwwerking tot gevolg zal hebben dan het huidige bouwwerk en dat hij hierdoor te veel van zijn privacy zal verliezen. Eiser stelt verder dat de parkeergarage voor veel stankoverlast zal zorgen.
2.10. De rechtbank stelt vast dat ingevolge het bestemmingsplan op de gronden van het perceel de bestemming ‘gemengde bebouwing II’ en ‘bedrijfserven’ rust. De afwijkingen van het bestemmingsplan waarvoor vrijstelling is verleend hebben te maken met de functie, de bebouwingsgrenzen, de bouwhoogte en de dakhelling. Verweerder heeft zich in de ruimtelijke onderbouwing behorende bij het besluit van 31 oktober 2008, het bestreden besluit II, het verweerschrift alsmede ter zitting op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan een nokhoogte van 16,50 meter mogelijk maakt. Nu het geplande bouwwerk volgens het bouwplan ongeveer 14 meter hoog is, wijkt dit wat betreft hoogte niet zeer af van hetgeen op grond van het bestemmingsplan al mogelijk is. De rechtbank overweegt daarbij dat verweerder in de ruimtelijke onderbouwing aangegeven heeft dat dit gebouw zal staan in een omgeving met wat hogere gebouwen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder een toereikende ruimtelijke onderbouwing heeft gegeven voor de vrijstelling van bouwhoogte en dakhelling door hiervoor uitdrukkelijk aansluiting te zoeken bij een aantal met name genoemde bouwwerken in de directe omgeving van het perceel. Ten aanzien van de hoogte van het bouwplan is de rechtbank van oordeel dat het bouwplan van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien.
2.11. Ten aanzien van de uitbreiding van het aantal toegestane woningen van vijf naar vijftien heeft verweerder overwogen dat het bouwplan is gelegen aan het einde van het winkelgebied en dat het bestemmingsplan al voorziet in een binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid om onder voorwaarden op de begane grond een woonbestemming te creëren. De rechtbank acht voldoende aannemelijk gemaakt dat het bestaan van nieuwe winkels en/of bedrijven op de locatie van het perceel marginaal is, zodat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot een volledige woonbestemming op de begane grond. Ten aanzien van de uitbreiding van het aantal toegestane woningen is de rechtbank eveneens van oordeel dat het bouwplan van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien.
2.12. Onbetwist is dat de realisatie van het bouwplan enige gevolgen zal hebben voor eisers privacy. Verweerder heeft in de reactie op eisers zienswijze, in het bestreden besluit II en in het verweerschrift aangegeven dat van een onevenredig nadelige invloed echter geen sprake is. Naar aanleiding van eisers bezwaren over de schaduwwerking van het bouwplan heeft verweerder een onderzoek laten uitvoeren door een extern aangezocht architectenbureau. Bij dat onderzoek is uitgegaan van hetgeen maximaal kan worden opgericht op basis van de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan. Uit dit onderzoek is de rechtbank gebleken dat er nauwelijks verschillen bestaan tussen de schaduwwerking van het maximaal mogelijke op grond van het bestemmingsplan en de schaduwwerking van het bouwplan, behalve op 21 juni om 15.00 uur. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door het verlies van privacy en de schaduwwerking te onderzoeken aan de hand van hetgeen op grond van het bestemmingsplan maximaal mogelijk is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 juni 2005, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AT6995) is het een bestuursorgaan toegestaan om bij de belangenafweging de bebouwingsmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt te betrekken. Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiser, nu op grond van het bestemmingsplan nog meer schaduwwerking en verlies van privacy mogelijk en toegestaan is, rekening kon houden met de mogelijkheid van een aanzienlijke schaduwbeperking en inbreuk op zijn privacy. Met verweerder is de rechtbank verder van oordeel dat eiser aan de huidige situatie geen rechten kan ontlenen.
2.13. Ten aanzien van de door eiser verwachte stankoverlast door de ondergrondse parkeergarage voor 30 auto’s overweegt de rechtbank dat deze grond eerst in beroep is aangevoerd en dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen dit onderdeel van de besluitvorming door verweerder. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat dit redelijkerwijs niet van eiser had kunnen worden verlangd. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven de technische uitwerking, zoals die van een deugdelijke afzuiginstallatie, nog inhoudelijk te zullen beoordelen bij de aanvraag van de bouwvergunning tweede fase, waarbij getoetst zal moeten worden aan de criteria van het bouwbesluit. Ook zal nog een melding op grond van het Activiteitenbesluit moeten worden gedaan, aldus verweerder. De rechtbank ziet geen grond om aan deze informatie van verweerder te twijfelen en laat de door eiser aangevoerde grond ten aanzien van de gevreesde stankoverlast verder buiten bespreking.
2.14. Nu de rechtbank van oordeel is dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en verweerder in redelijkheid vrijstelling van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen, kan het bestreden besluit II in rechte stand houden. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit II daarom ongegrond verklaren. Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van het bestreden besluit II of voor vergoeding van het griffierecht.
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 322 (zegge: driehonderd tweeëntwintig euro), te betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Vogel-Frishert, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2010.
Rechtsmiddel
Belanghebbenden en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken na verzending van de uitspraak.
Afschrift verzonden op:
D: C
SB