ECLI:NL:RBAMS:2011:BP7577
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- M.Y.C. Poelmann
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontruiming wegens onvoldoende aannemelijkheid onderhuur en beëindigingsgronden
De zaak betreft een kort geding waarin eiseres vordert dat gedaagden, waaronder de feitelijke bewoner, de woning ontruimen. Eiseres is eigenaar van de woning en stelt dat de hoofdhuurder de woning zonder toestemming aan derden in gebruik heeft gegeven, wat een tekortkoming in de huurovereenkomst vormt. Zij beroept zich op artikel 7:269 BW Pro en stelt dat de onderhuurder niet kan worden beschermd omdat beëindigingsgronden aanwezig zijn.
De hoofdhuurder betwist dat sprake is van tekortkoming en stelt dat hij de woning niet aan derden heeft verhuurd maar dat de personen tot zijn gezin behoren. De onderhuurder voert aan dat hij een mondelinge huurovereenkomst heeft en dat hij huur betaalt, en dat hij zich kan beroepen op de bescherming van artikel 7:269 BW Pro. Tevens voert hij aan dat de dagvaarding nietig is en dat eiseres geen spoedeisend belang heeft.
De voorzieningenrechter oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat de woning leeg kan worden opgeleverd omdat de vordering jegens de onderhuurder niet toewijsbaar is. Er is onvoldoende bewijs dat beëindigingsgronden uit artikel 7:269 lid 2 BW Pro aanwezig zijn. Ook is niet aannemelijk dat de onderhuur is aangegaan met de kennelijke strekking de onderhuurder de positie van huurder te verschaffen. De vordering tot ontruiming wordt daarom afgewezen, evenals de vordering tegen de hoofdhuurder en overige gedaagden.
De voorzieningenrechter veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van de onderhuurder en compenseert de kosten in het geschil met de hoofdhuurder. De uitspraak benadrukt het belang van een bodemprocedure voor definitieve beoordeling van de huurovereenkomst en onderhuurrelatie.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van beëindigingsgronden onder artikel 7:269 BW.