ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3368

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
13/670249-11
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B. van Berge Henegouwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WthArt. 9 WthArt. 11 WthArt. 14a SrArt. 14b Sr
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens overtreding tijdelijk huisverbod opgelegd door burgemeester

Op 14 april 2011 heeft de politierechter van de rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte wegens overtreding van een tijdelijk huisverbod. Verdachte werd verweten zich op of omstreeks 17 maart 2011 in strijd met het huisverbod nabij de woning te bevinden en contact te zoeken met de daarin genoemde persoon.

De tenlastelegging vermeldde niet expliciet de wettelijke grondslag (artikel 2 of Pro artikel 9 Wet Pro tijdelijk huisverbod), maar uit de omstandigheden bleek dat het huisverbod op grond van artikel 2 was Pro opgelegd. De politierechter achtte het bewezen dat verdachte het huisverbod heeft overtreden en dat dit strafbaar is. Er was geen sprake van een rechtvaardigingsgrond.

De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 21 dagen, waarvan 17 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en aanvullende verboden. De verdediging vroeg een straf gelijk aan het voorarrest zonder contactverbod. De politierechter legde een gevangenisstraf van 21 dagen op, waarvan 17 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, zonder contact- of omgevingsverbod, gelet op de omstandigheden en eerdere veroordelingen van verdachte.

De straf houdt rekening met de ernst van het feit, de persoon van verdachte en het belang van handhaving van de openbare orde. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht op de straf.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 21 dagen gevangenisstraf, waarvan 17 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens overtreding van een tijdelijk huisverbod.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/670249-11
Datum uitspraak: 14 april 2011
op tegenspraak
VERKORT VONNIS
van de politierechter in de rechtbank te Amsterdam, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
De politierechter heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 maart 2011 het volgende vonnis gewezen.
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 maart 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, heeft gehandeld in strijd met een door of namens de Burgemeester op 15 maart 2011 aan hem opgelegd tijdelijk huisverbod (voor de periode van 15 maart 2011 tot 25 maart 2011), betreffende de woning gelegen aan [adres], door niet aanstonds de in dat verbod genoemde woning te verlaten en/of door die woning te betreden en/of door in die woning aanwezig te zijn en/of door zich in de nabijheid van die woning op te houden en/of door contact op te nemen met (één of meer van) de in dat huisverbod genoemde perso(o)n(en), te weten [persoon 1].
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de politierechter is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Waardering van het bewijs
De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte omstreeks 17 maart 2011 te Amsterdam heeft gehandeld in strijd met een namens de Burgemeester op 15 maart 2011 aan hem opgelegd tijdelijk huisverbod (voor de periode van 15 maart 2011 tot 25 maart 2011), betreffende de woning gelegen aan [adres], door zich in de nabijheid van die woning op te houden en door contact op te nemen met de in dat huisverbod genoemde persoon, te weten [persoon 1].
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
4. Het bewijs
De politierechter grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
5. Strafbaarheid van het feit
Artikel 11 van Pro de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: “Wth”) verklaart strafbaar zowel overtreding van een met toepassing van artikel 2 lid Pro 1, als een met toepassing van artikel 9 lid 1 Wth Pro, opgelegd huisverbod. Artikel 2 Wth Pro bepaalt onder meer dat de burgemeester aan iemand een huisverbod voor de duur van tien dagen kan opleggen. Artikel 9 lid 1 Wth Pro bevat de bevoegdheid van de burgemeester om een huisverbod te verlengen tot een periode van ten hoogste vier weken.
Verdachte wordt verweten te hebben gehandeld in strijd met een aan hem opgelegd tijdelijk huisverbod. In de tenlastelegging wordt niet expliciet verwezen naar de wettelijke grondslag waarop dat tijdelijk huisverbod is gebaseerd (te weten artikel 2 of Pro artikel 9 Wth Pro). Daarmee is een van de bestanddelen van de delictsomschrijving van artikel 11 Wth Pro niet opgenomen in de tenlastelegging. De jurisprudentie tot nu toe laat geen eenduidig beeld zien met betrekking tot de vraag welke consequenties een dergelijke wijze van ten laste leggen dient te hebben voor de kwalificeerbaarheid van een strafbaar feit.
Uit de bewoording en inhoud van de tenlastelegging is echter duidelijk dat verdachte wordt verweten dat hij een huisverbod heeft overtreden dat hem op grond van artikel 2 Wth Pro is opgelegd. In de tenlastelegging staat immers vermeld dat een tijdelijk huisverbod is opgelegd (artikel 2 Wth Pro) en niet dat het huisverbod is verlengd (artikel 9 Wth Pro). Bovendien betreft de overtreding die verdachte wordt verweten een gedraging van verdachte op een datum gelegen in de periode van tien dagen als bedoeld in artikel 2 Wth Pro. Uit het dossier blijkt voorts dat in dit geval geen sprake is geweest van verlenging van het aan verdachte opgelegde huisverbod. Op grond van het voorgaande is de politierechter van oordeel dat de tenlastelegging zo dient te worden geïnterpreteerd dat de niet expliciet opgenomen wettelijke grondslag van artikel 2 Wth Pro daarin wordt ingelezen.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het bewezen geachte feit volgens de wet strafbaar is. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor het bewezen en strafbaar geachte feit zal worden veroordeeld tot 21 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, waarvan 17 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met betrekking tot aangeefster en een verbod om zich te bevinden binnen een straal van 100 meter van de woning aan de [adres].
De raadsman van verdachte heeft bepleit aan verdachte geen contactverbod en een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte feit. Bij het bepalen van de straf is ook gelet op de persoon van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, zoals die op het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken.
De politierechter overweegt verder dat het huisverbod een maatregel is die onder meer strekt tot handhaving van de openbare orde. Verdachte heeft door contact te zoeken met aangeefster – ook al zegt hij dat aangeefster zelf ook met hem contact heeft gezocht - blijk gegeven geen waarde te hechten aan het aan hem door de burgemeester opgelegde huisverbod. Daarbij is van belang dat dit niet de eerste keer is geweest dat aan verdachte een huisverbod is opgelegd. In dat verband kan het overtreden van het huisverbod verdachte in het bijzonder worden aangerekend. De politierechter heeft voorts ten nadele van verdachte bij de strafoplegging betrokken dat verdachte blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 17 maart 2011 onder meer is veroordeeld voor strafbare feiten aangeduid als huiselijk geweld.
De politierechter ziet – anders dan de officier van justitie - geen aanleiding voor het opleggen van een contact- en omgevingsverbod, nu blijkens het verhandelde ter terechtzitting en het dossier niet is gebleken dat de relatie tussen verdachte en aangeefster is beëindigd en over de noodzakelijkheid van dergelijke verboden evenmin advies is uitgebracht. Wel ziet de politierechter – ter beperking van het gevaar dat verdachte in herhaling vervalt – aanleiding aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen met een proeftijd van twee jaar.
Alles afwegende acht de politierechter passend gevangenisstraf voor de duur van 21 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte vòòr de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 17 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 11 van de Wet tijdelijk huisverbod. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
De politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing:
9. Beslissing
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is weergegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Handelen in strijd met een met toepassing van artikel 2, eerste lid, Wet tijdelijk
huisverbod, gegeven huisverbod
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (een en twintig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat een gedeelte, groot 17 (zeventien) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. van Berge Henegouwen, politierechter,
in tegenwoordigheid van J.H. Beudeker, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 april 2011.