ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3648
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Recht op WW-uitkering na ontbinding arbeidsovereenkomst en geen benadelingshandeling
Eiseres was sinds 1 maart 2004 in dienst bij haar werkgever. Op 26 maart 2009 sloten partijen een vaststellingsovereenkomst waarin werd overeengekomen dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst zou ontbinden met ingang van 1 mei 2009. De werkgever weigerde echter de WW-uitkering toe te kennen tot en met 31 mei 2009 vanwege een vermeende benadelingshandeling door eiseres.
De rechtbank stelde vast dat de arbeidsovereenkomst niet met wederzijds goedvinden was geëindigd, maar door ontbinding via de kantonrechter. De vaststellingsovereenkomst betrof slechts de voorwaarden waaronder de ontbinding zou worden verzocht. Hierdoor geldt een fictieve opzegtermijn van één maand na de ontbindingsbeschikking.
De rechtbank oordeelde dat de weigering van de WW-uitkering tot en met 31 mei 2009 niet deugdelijk was gemotiveerd en in strijd was met het motiveringsbeginsel. Er was geen sprake van een benadelingshandeling. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat eiseres vanaf 1 mei 2009 recht heeft op een WW-uitkering.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten en het griffierecht aan eiseres. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Eiseres heeft recht op WW-uitkering vanaf 1 mei 2009; het bestreden besluit dat dit weigerde is vernietigd.