ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4340
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.W.K. Van der Valk Bouman
- C.S. Schoorl
- M.J. de Kort
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheidsincident en samenhang tussen Nederlandse en Belgische procedures inzake paulianeuze vorderingen
In deze civiele zaak vorderen Nesia Holding B.V. en Hesco Holding B.V. (Nesia c.s.) dat Prowinko c.s. zich schuldig heeft gemaakt aan paulianeus en onrechtmatig handelen door onroerende zaken te vervreemden en hypotheken te vestigen terwijl een Belgische procedure liep. Tevens vorderen zij schadevergoeding en het ongedaan maken van hypotheekrechten. Prowinko c.s. en ING stelden een bevoegdheidsincident op grond van de EEX-Verordening en bepleitten dat de Nederlandse rechtbank zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst of aanhoudt.
De rechtbank oordeelt dat de Belgische procedure eerder is aangebracht en dat de vorderingen in beide procedures samenhangend zijn in de zin van artikel 28 EEX Pro-Vo, omdat bij afzonderlijke behandeling tegenstrijdige beslissingen kunnen ontstaan. De Belgische rechter is exclusief bevoegd voor de vorderingen tegen Prowinko c.s. De vorderingen tegen ING en ABN AMRO zijn afhankelijk van de uitkomst tegen Prowinko c.s., waardoor de zaak tegen hen wordt aangehouden.
De rechtbank wijst het gevorderde tegen ING af en veroordeelt Nesia c.s. in de kosten van het incident. De hoofdzaak tegen Prowinko c.s. wordt verwezen naar de Rechtbank van Koophandel te Brussel, en de procedure tegen ING en ABN AMRO wordt aangehouden tot de Belgische procedure is afgerond. Dit vonnis is gewezen door Van der Valk Bouman, Schoorl en de Kort en op 6 april 2011 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor vorderingen tegen Prowinko c.s. en verwijst deze naar België; vorderingen tegen ING worden afgewezen en de zaak tegen ING en ABN AMRO wordt aangehouden.