ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ7832
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.H. van Benthem
- S. van Eunen
- M.C.J. Rozijn
- Rechtspraak.nl
Toestemming overlevering Somaliër aan Duitsland ondanks verweren over schending rechten en rechtsmacht
De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot overlevering van een Somaliër aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Duitse justitie. De verdachte werd verdacht van vervalsing van administratieve documenten en handel in valse betaalmiddelen. De verdediging voerde aan dat de overlevering onevenredig zwaar was vanwege het tijdsverloop en dat de verdachte recht had op garanties volgens artikel 6 van Pro de Overleveringswet (OLW), waaronder het ondergaan van straf in Nederland. Tevens werd gesteld dat de feiten op een Nederlands luchtvaartuig waren gepleegd, waardoor Nederland rechtsmacht zou hebben.
De rechtbank verwierp deze verweren. Er was geen sprake van rechtsmacht van Nederland omdat de feiten op de luchthaven van München waren gepleegd. De verdachte werd niet gelijkgesteld aan een Nederlander en had geen recht op de genoemde garanties. Ook was het uitvaardigen van het EAB door Duitsland niet onredelijk vanwege tijdsverloop. De rechtbank concludeerde dat aan alle wettelijke eisen voor overlevering was voldaan.
De overlevering werd toegestaan aan de Duitse autoriteiten voor het strafrechtelijk onderzoek naar de feiten. De rechtbank wees erop dat tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel openstaat. De zaak illustreert de toepassing van de Overleveringswet en de toetsing van verweren omtrent rechtsmacht en rechten van de verdachte bij internationale overleveringsverzoeken.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Duitsland toe ondanks verweren over schending van rechten en gebrek aan Nederlandse rechtsmacht.