ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ8931
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging TBS-maatregel wegens overschrijding maximale duur bij eenvoudige diefstal
De rechtbank Amsterdam behandelde op 22 juni 2011 de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de TBS-maatregel van een man die in 1989 ter beschikking werd gesteld na een veroordeling voor eenvoudige diefstal en andere feiten. De TBS-maatregel was sindsdien telkens met één of twee jaar verlengd.
De raadsman van de terbeschikkinggestelde stelde preliminair dat de officier van justitie niet ontvankelijk moest worden verklaard omdat de maatregel gemaximeerd is tot vier jaar bij eenvoudige diefstal, en deze termijn in 1993 al verstreken was. De officier van justitie betwistte dit en hield vast aan de verlenging.
De rechtbank oordeelde dat de vordering ontvankelijk was, maar dat de materiële beoordeling leidde tot afwijzing. De TBS-maatregel was terecht opgelegd voor de eenvoudige diefstal, maar niet voor de andere feiten die geen grond voor TBS vormden. Omdat eenvoudige diefstal geen geweldsdelict is, geldt de maximale duur van vier jaar. De verlengingen na 1993 waren dus onjuist.
De rechtbank wees de vordering tot verlenging af en bevestigde dat de TBS-maatregel sinds 1993 niet verlengd had mogen worden. Dit oordeel is gebaseerd op de wettelijke bepalingen en de wetsgeschiedenis van artikel 38e WvSr.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de TBS-maatregel af omdat de maximale duur van vier jaar bij eenvoudige diefstal is overschreden sinds 1993.