ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9763

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
13.706970-10, RK nummer: 11/1752.
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 OLWArt. 12 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLWArt. 180 Sr
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering wegens verstekvonnis zonder persoonlijke dagvaarding

De rechtbank Amsterdam behandelde op 31 mei 2011 een vordering tot overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de District Court of Lublin, Polen. Het EAB betrof de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van één jaar, opgelegd bij verstekvonnis door de Provincial Court of Radzyn Podlaski.

De verdachte verklaarde niet persoonlijk te zijn gedagvaard voor de zitting waarin de straf werd opgelegd en was niet aanwezig bij de uitspraak. Hij had geen raadsman tijdens die procedure en ontving de dagvaardingen niet per post. De rechtbank stelde vast dat het vonnis bij verstek was gewezen zonder dat de verdachte in persoon op de hoogte was gesteld van de zitting.

Artikel 12 van Pro de Overleveringswet verbiedt overlevering in dergelijke gevallen, tenzij de uitvaardigende autoriteit voldoende garanties biedt dat de verdachte na overlevering een nieuw proces kan aanvragen en aanwezig kan zijn bij de terechtzitting. Deze garanties ontbraken. Daarom besloot de rechtbank de overlevering te weigeren en wees zij het EAB af.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de verdachte wegens het ontbreken van persoonlijke dagvaarding bij het verstekvonnis.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.706970-10
RK nummer: 11/1752
Datum uitspraak: 31 mei 2011
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 maart 2011 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 9 november 2010 door de Judge of the District Court of Lublin, Polen. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1981,
verblijvend op het adres [adres] [woonplaats],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 31 mei 2011. Daarbij zijn de offi¬cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. C. van Drumpt, advocaat te Amsterdam, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.
2. Grondslag en inhoud van het EAB
Aan het EAB ligt een Judgement by Default van de Provincial Court of Radzyn Podlaski van 13 december 2006 ten grondslag (referentie nr: V K 403/06/R).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
Uit het EAB blijkt dat de straf eerst voorwaardelijk aan de opgeëiste persoon is opgelegd. De Provincial Court of Radzyn Podlaski heeft op 1 oktober 2008 deze voorwaardelijke straf omgezet in een onvoorwaardelijke straf.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB.
3. Identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Poolse nationaliteit heeft.
4. Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.
De rechtbank zal dan ook moeten beoordelen of het feit voldoet aan de vereisten zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2 OLW.
Het feit is zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar.
Op dit feit is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
Wederspannigheid
6. Artikel 12 OLW Pro
De rechtbank stelt vast dat het vonnis bij verstek gewezen is, zoals ook vermeld in het EAB onder d). De opgeëiste persoon heeft bij zijn verhoor ter zitting verklaard niet in persoon te zijn opgeroepen voor de zitting en niet aanwezig te zijn geweest op die zitting waarbij de voorwaardelijke straf aan hem is opgelegd. Het vonnis werd rechtsgeldig op 19 januari 2007.
Uit de aanvullende informatie van de President of the 2nd Penal Division te Lublin van 1 april 2011 blijkt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was op de hoorzittingen die plaatsvonden in deze zaak ( V K 403/06/R) en dat hij de per post gestuurde dagvaardingen niet heeft ontvangen. Voorts had de opgeëiste persoon niet een raadsman die hem ter zitting kon vertegenwoordigen. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het uitspreken van het vonnis. Een kopie van de beslissing met instructies over in te stellen appel is per post naar hem gezonden. De opgeëiste persoon heeft geen appel ingesteld tegen het vonnis van 13 december 2006. Op 1 oktober 2008 is de executie van de voorwaardelijke straf bevolen.
Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis, dat is gewezen zonder dat de verdachte in persoon is gedagvaard of anderszins in persoon in kennis is gesteld van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting. In een dergelijk geval verbiedt artikel 12 OLW Pro de overlevering, tenzij de uitvaardigende justitiële autoriteit voldoende garantie geeft dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in de gelegenheid zal worden gesteld om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting.
De rechtbank is, met de raadsvrouw en de officier van justitie, van oordeel dat de overlevering geweigerd dient te worden nu het tegen de opgeëiste persoon gewezen vonnis bij verstek is gewezen en niet voldaan is aan de voorwaarde zoals bedoeld in artikel 12 OLW Pro.
6. Slotsom
Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat niet aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden geweigerd.
7. Toepasselijke wetsbepalingen
Artikelen 180 van het Wetboek van Strafrecht.
Artikelen 2, 5, 7 en 12 van de Overleveringswet.
8. Beslissing
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Judge of the District Court of Lublin ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. W.H. van Benthem, voorzit¬ter,
mrs. M.J. Diemer en P. Rodenburg, rech¬ters,
in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, grif¬fier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 31 mei 2011.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.