ECLI:NL:RBAMS:2011:BR2119
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ingezetenschap en AOW-verzekering bij tijdelijk verblijf als voorganger-evangelist
Eiser, samen met zijn echtgenote, verbleef van september 1998 tot september 2000 in Nederland als voorganger-evangelist voor een kerkgenootschap, waarbij zij tegen kost en inwoning werkten. Verweerder had de AOW-uitkering van eiser ingetrokken omdat hij meende dat eiser geen ingezetene was, omdat het verblijf tijdelijk was en het middelpunt van zijn maatschappelijk leven niet in Nederland lag.
De rechtbank stelde vast dat verweerder het begrip ingezetenschap te beperkt had geïnterpreteerd door alleen te kijken naar sociale, economische en juridische bindingen. Het arrest van de Hoge Raad gaf aan dat ook een duurzame persoonlijke band van belang is. Gezien de aard van de werkzaamheden van eiser, waarbij hij dagelijks intensief betrokken was bij de geloofsgemeenschap en vrijwel permanent beschikbaar was, stond hij in het hart van deze gemeenschap.
De rechtbank concludeerde dat ondanks het tijdelijke karakter van het verblijf, er sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland, waarmee eiser als ingezetene kon worden beschouwd. Hierdoor was eiser verzekerd op grond van de AOW in de periode in geding. Het bestreden besluit werd vernietigd en het primaire besluit herroepen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat eiser ingezetene was en vernietigt het besluit tot intrekking van zijn AOW-uitkering.