ECLI:NL:RBAMS:2011:BR6974
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geschil over schadevergoeding wegens onrechtmatig effectenhandel door beleggingsadviseur
De zaak betreft een civiel geschil tussen een cliënt en een effectenkantoor over een verlies van circa €68.000,- dat is ontstaan door handelstransacties uitgevoerd door een beleggingsadviseur namens het kantoor. De cliënt stelt dat de adviseur na 5 maart 2003 in strijd met een handelsverbod voor zijn rekening is blijven handelen, wat aanzienlijke verliezen heeft veroorzaakt. Hij vordert nakoming van een toezegging tot vergoeding van dit verlies of subsidiair schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen.
Het effectenkantoor betwist aansprakelijkheid en stelt dat de adviseur niet bevoegd was dergelijke toezeggingen te doen. Tevens voert het kantoor verjaring en eigen schuld aan. De rechtbank oordeelt dat de vordering niet verjaard is omdat de cliënt tijdig een klacht heeft ingediend en de verjaring is gestuit. De rechtbank laat de cliënt toe bewijs te leveren van het handelsverbod en de toezegging, ondanks dat deze later als grondslag is aangevoerd dan gebruikelijk volgens artikel 21 Rv Pro.
De rechtbank overweegt dat indien het handelsverbod is overtreden, dit een toerekenbare tekortkoming is waarvoor het kantoor aansprakelijk is. De wisselende verklaringen van de adviseur worden kritisch beoordeeld. De cliënt moet ook bewijzen dat hij door de adviseur is gerustgesteld over een naamverwisseling die hem deed geloven dat er niet voor zijn rekening werd gehandeld. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering en nadere toelichting. De cliënt wordt veroordeeld in de kosten die het kantoor heeft moeten maken door zijn proceskeuze.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af voor een deel, laat bewijslevering toe en veroordeelt eiser in proceskosten wegens late wijziging van de grondslag.