ECLI:NL:RBAMS:2011:BT2723
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voortzetting huurovereenkomst na overlijden wegens duurzaam gemeenschappelijke huishouding afgewezen
De zaak betreft een vordering van eiser om de huurovereenkomst van zijn overleden vader voort te zetten op grond van een duurzaam gemeenschappelijke huishouding. Eiser stelde sinds 2002 samen met zijn vader te hebben gewoond en dat hij een huisvestingsvergunning kon verkrijgen om de huur voort te zetten.
Gedaagde verweerde zich door te betwisten dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en voerde aan dat eiser niet voldeed aan de huisvestingscriteria. De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende had toegelicht hoe het samenwonen met zijn vader vorm kreeg, met name gezien zijn eigen gezinssituatie en het feit dat hij zich inschreef op andere woningen.
Daarnaast kwam eiser niet in aanmerking voor een huisvestingsvergunning omdat hij niet voldeed aan de criteria voor het minimale aantal bewoners voor de woning. De vordering werd daarom afgewezen en de reconventionele vordering tot ontruiming toegewezen met een redelijke termijn van zes maanden. Eiser werd tevens veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld tot ontruiming binnen zes maanden.