RECHTBANK AMSTERDAM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 10/2774 ZVW
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
wonende te [woonplaats], Duitsland
eiser,
het College voor Zorgverzekeringen,
verweerder,
gemachtigden mrs. R. Roelsen en K. Siemeling.
Bij besluit van 7 maart 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de definitieve bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor het jaar 2006 voor eiser vastgesteld op € 2.960,94.
Bij besluit van 28 mei 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2011.
Eiser is met kennisgeving niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigden.
1. Feiten en omstandigheden
1.1. Eiser is Nederlander en woont in Duitsland. Eiser ontvangt een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een pensioen van Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: het ABP).
1.2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de definitieve bijdrage Zvw voor het jaar 2006 voor eiser vastgesteld op € 2.960,94. Omdat op het ouderdomspensioen en het ABP-pensioen van eiser al een gedeelte van de bijdrage is ingehouden en eiser ook een terugbetaling van verweerder heeft ontvangen, dient eiser per saldo nog een bedrag van
€ 971,98 aan verweerder te voldoen. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
2. Standpunten van partijen
2.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser op grond van (EG) Verordening 1408/71 (hierna: de Verordening) recht heeft op medische zorg in zijn woonland ten laste van Nederland. Daarom is eiser een bijdrage verschuldigd aan Nederland. De bijdrage wordt berekend overeenkomstig de Nederlandse wettelijke regeling. De bijdrage bestaat uit het nominale en het procentuele deel van de Zvw en een met de premie voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) overeenkomend deel. Volgens verweerder is bij de berekening van de AWBZ-component van de bijdrage rekening gehouden met de door eiser betaalde bijdrage aan het pensioen van zijn ex-echtgenote. De Zvw-component van de bijdrage wordt berekend over het gehele inkomen van eiser. Ten slotte heeft verweerder aangevoerd dat bij de vaststelling van de jaarafrekening rekening is gehouden met de ten onrechte ingehouden dubbele nominale bijdrage.
2.2. In beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte ook een nominale bijdrage heeft ingehouden op zijn ouderdomspensioen ten behoeve van zijn partner [partner] (hierna: [partner]) en dat hiermee geen rekening is gehouden. Voorts heeft eiser aangevoerd dat verweerder is uitgegaan van een verkeerd inkomen over 2006.
3. Inhoudelijke beoordeling
3.1. Tussen partijen is in geschil of verweerder de bijdrage Zvw voor eiser voor het jaar 2006 correct heeft vastgesteld op € 2.960,94.
3.2. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser ingevolge artikel 28 en 33 van de Verordening een bijdrage Zvw verschuldigd is en dat deze bijdrage wordt berekend over zijn uitkering ingevolge de Algemene ouderdomswet (AOW) en zijn ABP-pensioen.
3.3. Eiser heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat verweerder ten onrechte ook een nominale bijdrage heeft ingehouden op zijn ouderdomspensioen voor zijn partner [partner] en dat met deze inhouding geen rekening is gehouden bij de vaststelling van de jaarafrekening voor 2006.
3.4. Hoewel eiser in zijn brief van 2 augustus 2010 de rechtbank heeft bericht deze grond verder buiten beschouwing te laten, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een zuivere intrekking van deze beroepsgrond. Uit de formulering van eisers brief blijkt immers niet dat eiser op dit punt geen bezwaar meer had tegen het bestreden besluit. De rechtbank zal deze grond dan ook in de beoordeling betrekken.
3.5. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat bij de definitieve vaststelling van de jaarafrekening is gekeken naar het totaal van alle inhoudingen op het pensioen van eiser, naar wat door verweerder aan eiser is betaald en naar hetgeen eiser verschuldigd is. Volgens verweerder is er hierdoor ook rekening gehouden met eventueel ten onrechte verrichte inhoudingen op het pensioen van eiser. Ook heeft verweerder verklaard dat de terugbetaling aan eiser van € 751,00 losstaat van de al dan niet ten onrechte ingehouden nominale premie. Deze terugbetaling is volgens verweerder gebaseerd op de voorlopige jaarafrekening waarbij van andere inkomensgegevens van eiser is uitgegaan.
3.6. Op grond van deze, door eiser niet betwiste, gang van zaken, moet worden geconcludeerd dat verweerder bij de vaststelling van de jaarafrekening rekening heeft gehouden met alles wat door eiser is betaald en met wat terecht of onterecht is ingehouden op zijn pensioen. Deze beroepsgrond kan dan ook niet slagen.
3.7. Voorts heeft eiser aangevoerd dat verweerder is uitgegaan van het verkeerde inkomen in 2006 en geen rekening heeft gehouden met een door eiser in 2006 betaalde bijdrage aan het pensioen van zijn ex-echtgenote. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
3.8. Op grond van artikel 6.3.1 van de Regeling zorgverzekering (hierna: de Regeling) is de grondslag van de bijdrage gelijk aan de som van verschillende bijdragen. Dit zijn, kort gezegd, de hiervoor onder 2.1 genoemde AWBZ-bijdrage, de (onder 2.1 als Zvw-component aangeduide) inkomensafhankelijke bijdrage en daarnaast een nominaal deel.
3.9. Het nominale deel is een vast bedrag dat per jaar wordt vastgesteld. Bij berekening van de AWBZ-component heeft verweerder rekening gehouden met de bijdrage aan het pensioen van eisers ex-echtgenote. Zijn bezwaren richten zich dan ook tegen de berekening van het inkomensafhankelijke deel waarbij met deze “aftrekpost” door verweerder geen rekening is gehouden.
3.10. Met betrekking tot de berekening van dit inkomensafhankelijke deel bepaalt artikel 6.3.1 van de Regeling dat deze wordt berekend overeenkomstig paragraaf 5.2 van de Zvw. In deze paragraaf staat artikel 43 van de Zvw. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat het bijdrage-inkomen van een jaar het gezamenlijke bedrag is dat in een jaar is genoten aan:
a. belastbaar loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting (…);
(…)
d. belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen, bepaald volgens de regels van afdeling 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
3.11. Zowel het ABP-pensioen van eiser als zijn uitkering ingevolge de AOW zijn te kwalificeren als belastbaar loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. De uitkering ingevolge de AOW is een periodieke uitkering op grond van een publiekrechtelijke regeling. Anders dan zijn ABP-pensioen is het geen inkomen uit (vroegere) werkzaamheden. Ingevolge artikel 34 van de Wet op de loonbelasting 1964 kunnen op grond van een algemene maatregel van bestuur echter regels worden gesteld op grond waarvan loonbelasting kan worden geheven over periodieke uitkeringen en verstrekkingen. In (artikel 11, lid 1, sub c jo. lid 2, van) het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 is dit ten aanzien van de AOW gebeurd. Daar is geregeld dat een AOW-uitkering aangemerkt wordt als inkomsten uit vroegere arbeid. Dit heeft tot gevolg dat een dergelijke, met loon gelijkgestelde, periodieke uitkering aangemerkt moet worden als belastbaar loon overeenkomstig de wettelijke bepaling van de loonbelasting. De rechtbank begrijpt dat artikel 43, eerste lid, van de Zvw zo moet worden uitgelegd dat met de periodieke uitkeringen en verstrekkingen bedoeld onder d die periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn bedoeld die niet onder de loonheffing vallen en die dus niet aangemerkt kunnen worden als belastbaar loon. De AOW-uitkering van eiser is dat, gelet op het vorenoverwogene, wel.
3.12. Kwalificatie van eisers inkomsten als belastbaar loon brengt met zich dat de bijdrage die eiser betaalt, berekend moet worden over het hele bedrag van zijn belastbaar loon. De Wet op de loonbelasting 1964 somt limitatief op welke inkomsten niet beschouwd kunnen worden als loon. De bijdrage die eiser betaalt ten behoeve van het pensioen van zijn ex-echtgenote, is niet een dergelijke (“aftrek”)post. Derhalve blijft deze bijdrage onderdeel van het belastbaar loon en kan deze niet worden afgetrokken ten behoeve van de berekening van de inkomensafhankelijke bijdrage.
3.13. Op grond van het voorgaande heeft verweerder de definitieve bijdrage Zvw voor eiser voor 2006 op correcte wijze vastgesteld. Het beroep is ongegrond en het bestreden besluit kan in rechte standhouden.
3.14. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en een vergoeding van het griffierecht.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. Rombouts, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2011.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Afschrift verzonden op:
D: B
SB