ECLI:NL:RBAMS:2011:BU2954
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- L. Biller
- S.F. van Merwijk
- H. van der Wilt
- Rechtspraak.nl
Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer schending redelijke termijn
De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 oktober 2011 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd in maart 2010. De verdediging voerde aan dat de redelijke termijn was overschreden en dat overlevering onevenredig bezwarend zou zijn, onder meer omdat het feit uit 2005 stamde en de opgeëiste persoon sinds 2009 in Nederland woonde.
De rechtbank oordeelde dat de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geen aanleiding geeft tot een verdergaande toets dan het vertrouwen dat Polen als lidstaat van het EVRM de rechten van de opgeëiste persoon zal respecteren. De verdediging kon niet aantonen dat sprake was van een flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro. Ook het argument van onevenredigheid werd verworpen, mede vanwege de ernst van het feit en het aantal benadeelden.
De rechtbank concludeerde dat aan alle wettelijke eisen voor overlevering was voldaan en stond de overlevering toe. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks het verweer van schending van de redelijke termijn.