Parketnummer: 13/660701-11 (Promis)
Datum uitspraak: 14 oktober 2011
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren [geboorteplaats] (Polen) op [1971],
verblijfplaats: [A-straat nr] [postcode] [woonplaats],
thans gedetineerd in het Huis van Bewaring "Diemersluis" te Amsterdam.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 oktober 2011.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.J. de Groot en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.F. Hoogervorst, naar voren hebben gebracht.
Aan verdachte is - na wijzigingen op de zitting - ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 11 juli 2011 te [woonplaats] ter uitvoering van het door
verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of
anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)
wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld
[aangever] te dwingen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), in elk
geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [aangever],
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s),
- met/door (een of meer van) zijn mededader(s) in hun gezamenlijke woning
(gelegen aan de [A-straat nr]) tegen voornoemde [aangever] heeft/hebben gezegd
"pin 1000 Euro en als je dat niet doet dan wordt je vermoord en/of verdronken
en/of worden je vrouw en kinderen vermoord en/of worden de organen van je
kinderen verkocht" en/of geslagen, althans (telkens) woorden van gelijke strekking,
- waarna hij verdachte en/of zijn mededader(s) (vervolgens) met/achter
voornoemde [aangever] naar een pinautomaat zijn (mee)(aan)gelopen en/of
(vervolgens) tegen voornoemde [aangever], op de openbare weg, heeft/hebben
gezegd "als je niet pint dan snijden we het gezicht van je vrouw en/of
vermoorden we je kinderen", althans (telkens) woorden van gelijke strekking;
hij op of omstreeks 11 juli 2011 te [woonplaats] ter uitvoering van het door
verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of
anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever] van het leven te beroven,
althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meer
van zijn mededader(s), althans alleen voornoemde [aangever] eenmaal of meermalen
(met kracht)
- (met gebalde vuist) in/tegen het gezicht/hoofd, althans tegen het lichaam,
heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of
- (terwijl voornoemde [aangever] op de grond lag) (met geschoeide voet) in/tegen
het hoofd/gezicht, althans tegen het lichaam, heeft/hebben geschopt en/of
getrapt;
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 11 juli 2011 te [woonplaats] ter
uitvoering van het door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] voorgenomen misdrijf om
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk [aangever] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk
letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meer van zijn/hun
mededader(s), althans alleen voornoemde [aangever] eenmaal of meermalen (met
kracht)
- (met gebalde vuist) in/tegen het gezicht/hoofd, althans tegen het lichaam,
heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of
- (terwijl voornoemde [aangever] op de grond lag) (met geschoeide voet) in/tegen
het hoofd/gezicht, althans tegen het lichaam, heeft/hebben geschopt en/of
getrapt,
welke bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte op of omstreeks 11
juli 2011 te [woonplaats] door misbruik van gezag en/of door het verschaffen van
inlichtingen,
te weten door die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] de opdracht te geven en/of tegen die
die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] te zeggen "loop met [aangever] mee en hou hem
in de gaten en controleer dat hij het niet weer gaat verprutsen, en als hij
geen geld pint, vermoord hem dan, en als dat niet lukt bel me dan, dan kom ik
hem zelf vermoorden", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,
opzettelijk heeft uitgelokt;
hij op of omstreeks 11 juli 2011 te [woonplaats] [aangever] heeft bedreigd met
enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers
heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever] (per sms) dreigend de woorden
toegevoegd :"Als je naar buiten gaat neem dan iemand mee", althans woorden van
gelijke dreigende aard of strekking;
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat de onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde feiten door de rechtbank bewezen kunnen worden verklaard.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte ten aanzien van de onder
1, 2 primair/subsidiair en 3 tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken.
4.3 Het oordeel van de rechtbanki
4.3.1.1 Verdachteii, zijn medeverdachten [medeverdachte 2]iii en [medeverdachte 1]iv, de getuige [getuige 1]v en de aangever [aangever]vi waren, blijkens hun verklaringen, in de avond van 11 juli 2011 in hun woning aan de [A-straat] te [woonplaats] aanwezig. [aangever] is de broer van verdachte en de oom van [medeverdachte 2]. Het gaat om een groep Polen die in de bouw werkzaam zijn. De verdachten en enige andere Polen meenden dat zij in verband daarmee geld tegoed hebben van [aangever]. Zij hebben er die avond op aangedrongen dat hij in de nabijheid van de woning geld zou gaan pinnen om hen te betalen.
4.3.1.2 Volgens de aangifte heeft verdachte zijn broer daarbij bedreigd met de in de tenlastelegging onder feit 1 achter het eerste gedachtenstreepje vermelde woorden. Verdachte geeft toe die avond veel te hebben gedronken, ruzie met zijn broer te hebben gehad en te hebben gezegd dat zijn broer een pak slaag kon krijgenvii.
4.3.1.3 De aangever heeft daarna de woning verlaten. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn achter hem aangelopen. [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte, toen zijn broer de woning verliet, tegen verdachte en [medeverdachte 1] heeft gezegd: "Ga maar achter hem aan en controleer of hij het niet weer gaat verprutsen."viii Verdachte verklaart dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft gezegd dat ze met zijn broer moesten meelopen en hem in de gaten moesten houden.ix
4.3.1.4 Volgens de aangifte hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] [aangever], terwijl zij liepen in de richting van een filiaal van de ABN-AMRO bank - waar naar de rechtbank aanneemt een pinautomaat is - bedreigd met de in de tenlastelegging onder feit 1 achter het tweede gedachtenstreepje vermelde woorden.
4.3.1.5 [aangever] is de bank en de pinautomaat voorbijgelopen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben hem vervolgens aangevallen. Zij hebben hem geschopt en geslagen. Dat is gezien door twee getuigen, te weten [getuige 2]x en diens vriendin [getuige 3]xi. De politie wordt door [getuige 2] gewaarschuwd en laat [aangever], die in zijn gezicht diverse rode plekken en schrammen hadxii, uit voorzorg met een ambulance naar het ziekenhuis brengen.xiii Uit een op 12 juli 2011 opgestelde medische verklaringxiv blijkt niet van uitwendige laceraties, maar wel van drukpijn aan het achterhoofd en de flanken; de arts concludeert: "Contusie flanken en achterhoofd." De aangever heeft na enkele uren het ziekenhuis verlaten.xv
4.3.1.6 Na de mishandeling, maar nog op 11 juli 2011 heeft [aangever] een in het Pools gesteld sms bericht, dat is verzonden met de telefoon van verdachtexvi, ontvangen, waarvan de vertaling luidt: "Als je naar buiten gaat neem dan iemand mee." Vrij vertaald, aldus [aangever],xvii komt dit bericht erop neer dat ik, "als ik ervandoor zou gaan, een bodyguard nodig zou hebben omdat hij mij zou vermoorden."
4.3.2 ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit:
4.3.2.1 De officier van justitie stelt dat er in het dossier voldoende bewijsmiddelen aanwezig zijn om te kunnen bewijzen dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking van verdachte en zijn medeverdachten om het slachtoffer af te persen.
4.3.2.2 De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder feit 1 tenlastegelegde afpersing aangezien er geen sprake is geweest van een vooropgezet plan om het slachtoffer [aangever] af te persen. Verdachte en medeverdachten hebben geen gedragingen verricht waaruit het oogmerk van de afpersing van het slachtoffer kan blijken.
4.3.2.3 De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte de aan hem onder 1 tenlastegelegde poging tot afpersing heeft gepleegd.
Voor het bewijs dat [aangever] op straat is bedreigd, is er alleen zijn verklaring. De rechtbank vindt dat te mager en kan om die reden niet bewezen verklaren dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] [aangever] hebben bedreigd toen zij op weg waren naar de betaalautomaat.
De bedreiging binnenshuis, door verdachte, acht de rechtbank slechts bewezen, voor zover deze heeft gezegd dat zijn broer een pak slaag kon krijgen. Verdachte heeft dat toegegeven, terwijl zijn broer alleen staat in zijn verklaring dat hij de dingen heeft gezegd die zijn vermeld achter het eerste gedachtenstreepje onder feit 1. De andere Polen hebben verklaard de door [aangever] genoemde bedreigingen niet te hebben gehoord.
Uit het binnenshuis jegens [aangever] geuite verlangen dat hij geld moest gaan pinnen om verdachte en de anderen te betalen en de daar door verdachte jegens hem geuite, door de rechtbank bewezen geachte dreigende woorden is niet een zodanige dreiging uitgegaan dat die geschikt was als middel om [aangever] ertoe te bewegen om tegen zijn zin geld op te nemen en dit aan zijn metgezellen te overhandigen. Ook de door verdachte gegeven instructie aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] om achter hem aan te lopen en hem in de gaten te houden of te controleren, had niet dat effect, evenmin als de omstandigheid dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] die instructie uitvoerden door achter hem aan te lopen. [aangever] is immers de betaalautomaat gewoon voorbijgelopen. Pas daarna is hij door zijn metgezellen aangevallen. Noch bij het naderen van de betaalautomaat noch daarna hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gezegd dat [aangever] geld moest opnemen of geprobeerd om [aangever] met daden daartoe te brengen.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] niet het plan of de opdracht hadden er daadwerkelijk voor te zorgen om [aangever] ook tegen zijn zin ertoe te brengen geld op te nemen en dit vervolgens aan hen af te geven. De rechtbank neemt met de verdediging aan dat het geweld dat na het voorbijlopen van de betaalautomaat op [aangever] is toegepast, een uiting van frustratie was, die werd opgeroepen doordat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] toen gewaar werden dat zij het geld dat zij hoopten te krijgen, niet zouden ontvangen.
Uit het voorgaande volgt eveneens dat ook verdachte niet mag worden verweten te hebben geprobeerd om zijn broer door middel van geweld of door bedreiging met geweld te bewegen tot de afgifte van geld.
De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde feit.
4.3.3 ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit:
4.3.3.1 De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder 2 primair tenlastegelegde medeplegen van poging tot doodslag bewezen kan worden verklaard op grond van de verklaring van [aangever] bij de politie en op grond van hetgeen de getuige [getuige 2] bij de politie en ter terechtzitting van de rechtbank heeft verklaard en op grond van de bevindingen van de arts. Daaruit kan worden afgeleid dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] het slachtoffer meermalen tegen het hoofd hebben geschopt ten gevolge waarvan het slachtoffer had kunnen komen te overlijden.
Verdachte heeft [aangever] bedreigd en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opdracht gegeven om [aangever] in de gaten te houden en ervoor zorg te dragen dat [aangever] een geldbedrag van € 1.000,- zou pinnen. Op grond hiervan is er sprake van medeplegen van verdachte aan voormelde feiten.
4.3.3.2 In de visie van de raadsvrouw kan zowel het medeplegen als de uitlokking van de poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling niet bewezen worden verklaard nu er zich in het dossier geen enkele aanwijzing is dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Ook al zou de rechtbank wel oordelen dat tegen het hoofd is geschopt dan nog is er geen sprake van poging doodslag, aldus de verdediging. De verdediging verwijst daarvoor naar de concrete omstandigheden van dit geval, het geringe letsel en de jurisprudentie hieromtrent.
4.3.3.3 De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
[medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [aangever] ten val heeft gebracht door hem bij de arm te pakken, dat hij hem bij de kraag heeft vastgehouden en dat hij hem een schop in de buik, twee klappen met de vlakke hand in het gezicht en ten slotte een schop in de rug heeft gegeven. [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij [aangever] verschillende malen met de vuist tegen het lichaam heeft geslagen en dat verdachte [aangever] in de buik en tegen de rug heeft getrapt en hem tweemaal met de vlakke hand in het gezicht sloeg.xviii
Volgens de aangifte is meermalen ook tegen het hoofd geschopt. De getuige [getuige 3] heeft dat niet gezien, maar wel dat in het gezicht werd geslagen. De getuige [getuige 2] heeft ter terechtzitting op de uitdrukkelijke vraag of hij ook heeft gezien dat tegen het hoofd werd getrapt, aanvankelijk ontkennend geantwoord. Bij de politie had hij anders verklaard. Daarmee geconfronteerd door de officier van justitie, heeft de getuige gezegd dat hij zich het schoppen tegen het hoofd niet meer kan herinneren maar dat hij blijft bij zijn verklaring zoals afgelegd bij de politie.
Is het dus al hoogst twijfelachtig om op basis van de aangifte van [aangever] en op basis van de min of meer teruggenomen verklaring van de getuige [getuige 2] aan te nemen dat ook tegen het hoofd is geschopt, daarvoor is bovendien onvoldoende steun te vinden in het bij [aangever] door de arts vastgestelde en door de politie waargenomen letsel. Dat duidt niet op schoppen tegen het hoofd. Temeer daar niet is uit te sluiten dat enig letsel is ontstaan bij het ten val komen van [aangever].
De rechtbank acht daarom het schoppen tegen het hoofd niet bewezen. Dat leidt ertoe dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag en evenmin tot bewezenverklaring van poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, maar wel tot bewezenverklaring van openlijke geweldpleging komt voor [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1].
De rechtbank voegt hieraan toe dat zij op grond van de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] bewezen acht dat zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] [aangever] flink wat malen hard in het gezicht hebben geslagen en hard tegen het lichaam hebben geschopt.
Nu aan verdachte niet ook het medeplegen of uitlokken van openbare geweldpleging is ten laste gelegd, moet hij van feit 2 geheel worden vrijgesproken.
4.3.3.4 ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit:
Het hiervoor onder 4.3.1.6 vermelde sms bericht kon, gelet op de gebruikte bewoordingen en de uitleg die daaraan in redelijkheid door de geadresseerde, [aangever], in de gegeven omstandigheden mocht worden gegeven, bij hem de redelijke vrees wekken dat zijn broer hem stevig wilde gaan mishandelen. De rechtbank betrekt in dit oordeel ook de eerder op die dag verzonden smsjesxix van verdachte aan [aangever].
Het verweer dat niet verdachte maar een ander de telefoon van verdachte heeft gebruikt om dit sms bericht te verzenden, verwerpt de rechtbank omdat zij niet aannemelijk acht dat een ander dan verdachte het bericht heeft verzonden.
De rechtbank acht op grond van de onder 4.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
hij op 11 juli 2011 te [woonplaats] [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever] per sms dreigend de woorden toegevoegd : "Als je naar buiten gaat neem dan iemand mee", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straffen en maatregelen
8.1. De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 primair en onder 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en vordert tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.560,-, alsmede tot een schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag.
8.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om verdachte van alle feiten vrij te spreken en derhalve geen straf of maatregel op te leggen.
8.3. Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging van het slachtoffer met een misdrijf tegen het leven gericht. Dit feit heeft op het slachtoffer veel impact gehad.
De bedreiging is geuit na een geldkwestie met het slachtoffer.
Verdachte heeft zijn broer bedreigd door verzending van een sms bericht met een bedreigende tekst. Achtergrond is dat verdachte nog geld van zijn broer tegoed meent te hebben. Dat is een manier om met geldvorderingen om te gaan die niet valt te dulden.
Daarop past een geldboete, nu verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld.
Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om verdachte ervan te weerhouden in herhaling te vervallen.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ten aanzien van de benadeelde partij
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van [aangever] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op het bedrag van € 50,- (vijftig euro) ter vergoeding van de door de benadeelde partij geleden immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voor het meerdere verklaart de rechtbank [aangever] niet ontvankelijk in zijn vordering, hetgeen betekent dat hij dat deel desgewenst nog aan de burgerlijke rechter kan voorleggen.
Ter zitting heeft verdachte zich op verrekening beroepen met zijn vordering op de benadeelde, maar aan dat beroep blijkt het bepaalde in artikel 135 boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in de weg te staan.
Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Het restant van de vordering levert wel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
In het belang van de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 36f en 385 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1, 2 primair/subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 350,- (driehonderdenvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 7 (zeven) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, op de geldboete in mindering gebracht zal worden naar de maatstaf van € 50,- (vijftig euro) per dag.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) weken.
Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Wijst de vordering van [aangever], wonende op het adres [A-straat nr] [postcode] [woonplaats], toe tot een bedrag van € 50,- (vijftig euro).
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] een bedrag
€ 50,- (vijftig euro) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 1 (één) dag. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mrs. D.J. Cohen Tervaert en F.G. Bauduin, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 oktober 2011.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
i Waar hier wordt verwezen naar pagina nummers zijn dat de paginanummers van het in deze zaak door de politie opgemaakte dossier met nummer PL1405 2011033319. De processen-verbaal zijn steeds in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.
ii pagina 54
iii pagina 19
iv pagina 37
v Pagina 77
vi Pagina 60 e.v.
vii Pagina 51
viii Pagina 78
ix Pagina 56
x Pagina 66 e.v.
xi Pagina 69
xii Pagina 63
xiii Pagina 74
xiv Pagina 174
xv Verklaring aangever ter terechtzitting
xvi Pagina 94
xvii Aangifte, p 61
xviii Verhoor van 19 september 2011, niet genummerde pagina's.
xix P. 91