ECLI:NL:RBAMS:2011:BU8441
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- Sj.A. Rullmann
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering onmiddellijke invrijheidstelling wegens voortduren voorlopige hechtenis na wrakingsverzoek
Eiseres is op 25 maart 2011 aangehouden en in voorlopige hechtenis gesteld wegens verdenking van ernstige strafbare feiten. De voorlopige hechtenis is meerdere malen verlengd en de strafzaak is meerdere keren pro forma behandeld. Op 6 december 2011 heeft eiseres een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechtbank, waarna de zitting is geschorst.
Eiseres stelt dat de voorlopige hechtenis onrechtmatig is omdat de wettelijke termijn van drie maanden schorsing na de laatste zitting op 8 september 2011 is verstreken. Zij vordert daarom onmiddellijke invrijheidstelling. De Staat voert aan dat de voorlopige hechtenis op grond van artikel 66 lid 2 Sv Pro blijft voortduren zolang het onderzoek ter terechtzitting loopt en dat de schorsing van de zitting vanwege het wrakingsverzoek voor onbepaalde tijd is.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het niet aannemelijk is dat de strafrechter de voorlopige hechtenis onrechtmatig zal achten. Ook het subsidiaire verweer op grond van artikel 282 Sv Pro leidt tot het oordeel dat de voorlopige hechtenis in ieder geval tot maximaal één maand na 6 december 2011 voortduurt. Het spoedeisend belang van eiseres wordt erkend, maar de vordering wordt afgewezen omdat een andere rechtsgang voorhanden is. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot onmiddellijke invrijheidstelling wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.