ECLI:NL:RBAMS:2011:BU8641
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.M.J. Lommen-van Alphen
- D. van den Brink
- C.A.E. Wijnker
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van mishandeling met hamer
Op 1 november 2002 is het slachtoffer meermalen met een hamer op hoofd en lichaam geslagen. Verdachte werd ervan verdacht dit te hebben gedaan met voorbedachten rade. Tijdens het proces stelde de verdediging dat het Openbaar Ministerie en politie fouten hadden gemaakt in het voorbereidend onderzoek, zoals het zoekraken van het corpus delicti (de hamer) en onzorgvuldigheden bij fotoconfrontaties.
De rechtbank oordeelde dat deze verzuimen niet ernstig genoeg waren om het OM niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie baseerde haar bewijs op verklaringen van het slachtoffer, getuigen en een heimelijk opgenomen bekennende verklaring van verdachte. De verdediging betwistte de betrouwbaarheid van deze verklaring en stelde dat verdachte deze alleen aflegde om van het stigma af te komen.
De rechtbank vond dat het bewijs onvoldoende was om verdachte te verbinden aan het ten laste gelegde feit. De verklaringen waren niet overtuigend, getuigen hadden geen directe waarneming van de dader en de heimelijk opgenomen bekentenis kon niet als betrouwbaar bewijs dienen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het ten laste gelegde mishandelingsfeit.