ECLI:NL:RBAMS:2011:BV2295
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verwijdering persoonsgegevens uit incidentenregister na phishingfraude
De zaak betreft een verzoek van een moeder, handelend namens haar minderjarige zoon, om verwijdering van persoonsgegevens uit het incidentenregister en het extern verwijzingsregister van ING Bank. De zoon was betrokken bij frauduleuze transacties via zijn jongerenbetaalrekening, waarbij zijn betaalpas en pincode aan derden werden verstrekt.
ING Bank voerde aan dat opname in de registers gerechtvaardigd was ter bescherming van de integriteit van financiële instellingen. De rechtbank oordeelde dat de verwerking van persoonsgegevens op grond van een gerechtvaardigd belang plaatsvond en dat aan de voorwaarden van het toepasselijke protocol was voldaan.
De rechtbank verwierp het verweer dat sprake was van psychische druk en concludeerde dat de minderjarige bewust had meegewerkt aan de fraude. Ook werd geoordeeld dat de belangenafweging uitviel in het voordeel van ING, mede vanwege de kwetsbaarheid van de minderjarige en de mogelijkheid tot herbeoordeling van de registratie.
Het verzoek tot verwijdering werd daarom afgewezen en de verzoekster werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot verwijdering van persoonsgegevens uit het incidentenregister en EVR wordt afgewezen.