ECLI:NL:RBAMS:2011:BW7200
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing testamentair bewind over nalatenschap na overlijden erflater
De zaak betreft een verzoek van erfgenamen om het testamentair bewind op hun nalatenschap op te heffen, ingesteld ten behoeve van hen en een opvolgend vruchtgebruiker. Het bewind was mede ingesteld in het belang van de dochter van de erflater als vruchtgebruikster, met een opschortende voorwaarde die nog niet was ingetreden.
De stichting die als bewindvoerder fungeert, voerde verweer dat het bewind niet kon worden opgeheven omdat het ook in het belang van de vruchtgebruiker was ingesteld en dat het gemeenschappelijk besluit tot beëindiging van het bewind voor die vruchtgebruiker niet rechtsgeldig was. De rechtbank oordeelde dat het bewind wel degelijk kan worden opgeheven op grond van artikel 4:178 lid 2 BW Pro, ook al rust er een opschortende voorwaarde op het vruchtgebruik.
Verder stelde de rechtbank vast dat verzoekers in staat zijn het vermogen verantwoord te beheren, ondanks bezwaren van de stichting. Hoewel opheffing niet zal leiden tot meer bestuursrechten of informatie voor verzoekers, hebben zij toch een belang bij opheffing omdat het bewind een beperking vormt op hun rechten.
De rechtbank besloot het bewind over de nalatenschap van verzoekers op te heffen en veroordeelde de stichting in de proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het testamentair bewind over de nalatenschap van verzoekers wordt opgeheven en de stichting wordt veroordeeld in de proceskosten.