Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen kantonrechter G.C. Boot wegens vermeende vooringenomenheid, gebaseerd op het oordeel dat eisers niet-ontvankelijk zouden zijn door het faillissement van een eisende partij en een tussenarrest van het hof. Verzoeker stelde dat de rechter de zaak onterecht voortzette en daarmee vooringenomen was.
De rechter had de zaak op 2 juli 2012 niet inhoudelijk behandeld, maar de comparitie laten doorgaan en de zaak aangehouden in afwachting van een comparitie bij het hof op 5 juli 2012. Verzoeker betoogde dat dit een fout was en dat de rechter mede schuldig was aan paulianeus handelen.
De wrakingskamer oordeelde dat de genoemde feiten en omstandigheden geen zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleverden. De rechter mag een vordering bij comparitie niet aanstonds niet-ontvankelijk verklaren, maar kan de zaak aanhouden. De beslissing tot aanhouding was begrijpelijk en niet onrechtmatig.
Het verzoek tot wraking werd daarom afgewezen en de procedure werd voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij indiening van het wrakingsverzoek.