ECLI:NL:RBAMS:2012:BV2639
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering aanvullende pensioenpremie wegens onaanvaardbare hersteltermijn
De Stichting Pensioenfonds [eiseres] vordert van [gedaagde] betaling van een aanvullende pensioenpremie van ruim €32 miljoen, gebaseerd op een financieringsovereenkomst uit 1989 en gewijzigd in 2000. Deze overeenkomst regelt een open financieringssysteem waarbij jaarlijks wordt vastgesteld of een aanvullende premie verschuldigd is, gebaseerd op de dekkingsgraad van het fonds.
De Pensioenwet (PW) verving in 2007 de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW) en introduceerde strengere regels, waaronder een hersteltermijn van drie jaar voor het op peil brengen van de dekkingsgraad. [eiseres] baseert haar vordering op een herstelpremie die volgens haar binnen één jaar voldaan moet worden, conform de financieringsovereenkomst. [gedaagde] betwist de hoogte van de premie, de uitleg van de overeenkomst en beroept zich op de hersteltermijn van drie jaar uit de PW en op redelijkheid en billijkheid.
De rechtbank oordeelt dat de formele rechtskracht van het door DNB goedgekeurde herstelplan niet betekent dat de hoogte van de premie niet meer ter discussie kan staan, omdat DNB niet toetst aan de contractuele verhouding. De Haviltex-norm wordt toegepast op de uitleg van de financieringsovereenkomst, waarbij wordt geoordeeld dat niet alle niet-dwingendrechtelijke bepalingen van de PW automatisch in de overeenkomst zijn opgenomen. Wel is duidelijk dat de strengere premiekortingsregels uit artikel 129 PW Pro het evenwicht van de financieringsovereenkomst ernstig verstoren.
Gelet op de uitzonderlijke omstandigheden van de kredietcrisis en de disproportionele hoogte van de gevorderde premie, acht de rechtbank het onaanvaardbaar dat [eiseres] vasthoudt aan de korte hersteltermijn van één jaar. De hersteltermijn van drie jaar uit artikel 140 PW Pro wordt daarom toegepast, waardoor de gevorderde premie wordt teruggebracht tot €12,3 miljoen, een bedrag dat reeds door [gedaagde] is betaald. De vordering wordt afgewezen en [eiseres] wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot betaling van de aanvullende premie van €32 miljoen wordt afgewezen; hersteltermijn van drie jaar uit de Pensioenwet wordt toegepast.