ECLI:NL:RBAMS:2012:BV7876
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. Boot
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering op grond van pensioenovergangsregeling en wederkerigheid pensioenfondsen
Wärtsilä vordert een verklaring voor recht dat werknemers geboren tussen 1950 en 1973, deelnemer aan PME, aanspraak maken op een voorwaardelijk pensioen berekend volgens SPS-methodiek, waarbij PME de financiële lasten draagt. Daarnaast vordert zij nakoming van deze toezegging en betaling van buitengerechtelijke kosten.
De rechtbank stelt vast dat bij overgang van SPS naar PME afspraken zijn gemaakt over wederkerigheid en waardeoverdracht, maar dat SPS nooit premie heeft geheven voor financiering van voorwaardelijke aanspraken en dat de financiering daarvan gespreid kan plaatsvinden over vijftien jaar. Wärtsilä mocht niet zonder meer aannemen dat PME de financiële lasten van het surplusdeel zou dragen.
De rechtbank oordeelt dat de voorwaardelijke aanspraken afhankelijk zijn van bestuursbesluiten en beschikbare middelen van het fonds, en dat PME terecht heeft gewezen op haar financiële positie. De vorderingen van Wärtsilä worden afgewezen, evenals de vorderingen van PME in reconventie en de vrijwaringsvorderingen van SPS en PME. Partijen worden in de proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: De vorderingen van Wärtsilä worden afgewezen en partijen worden in de proceskosten veroordeeld.