ECLI:NL:RBAMS:2012:BV8667
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toestemming tot overlevering aan Groot-Brittannië voor uitvoering strafrestant illegale drugshandel
De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 maart 2012 een vordering tot overlevering van een persoon aan Groot-Brittannië op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De opgeëiste persoon was veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertig maanden wegens illegale handel in verdovende middelen. De verdediging voerde aan dat overlevering onevenredig was omdat de persoon het netto gedeelte van zijn straf had uitgezeten en sinds 1992 in Nederland woonde met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
De rechtbank oordeelde dat het rechtsmachtvereiste van artikel 6 OLW Pro niet van toepassing was omdat Nederland geen rechtsmacht heeft over het ten grondslag liggende feit en er geen verdragsmogelijkheid bestaat om de straf over te nemen. De rechtbank verwierp het beroep op het evenredigheidsbeginsel en andere juridische gronden, zoals het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel en het Verdrag overbrenging gevonniste personen, omdat Groot-Brittannië geen partij is bij deze verdragen.
Verder stelde de rechtbank vast dat de tijd die de opgeëiste persoon in overleveringsdetentie heeft doorgebracht conform de Overleveringswet wordt verrekend met de straf. De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn, waardoor de overlevering wordt toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Groot-Brittannië toe voor de uitvoering van de resterende gevangenisstraf.