ECLI:NL:RBAMS:2012:BW5004
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beschikbaarheid voor arbeid en toekenning WW-uitkering na ontslag
De zaak betreft een beroep van een werkgever tegen de toekenning van een WW-uitkering aan een voormalig werkneemster. De werkneemster was ontslagen wegens financiële problemen bij de werkgever en had zich pas bijna een jaar later ingeschreven voor een WW-uitkering. De werkgever betwistte de beschikbaarheid voor arbeid in de periode tussen ontslag en aanvraag.
De rechtbank oordeelt dat de werkneemster niet overtuigend heeft aangetoond dat zij in die periode beschikbaar was voor arbeid, mede omdat zij haar sollicitatieactiviteiten onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank stelt dat de uitkering daarom niet had mogen worden toegekend voor die periode.
Verder is geen sprake van benadelingshandeling door de werkneemster, ondanks het niet tijdig inschrijven bij het CWI en het onduidelijke outplacementtraject. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en draagt de uitkeringsinstantie op een nieuw besluit te nemen, waarbij de schadevergoeding aan de werkgever opnieuw moet worden vastgesteld.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot toekenning van de WW-uitkering met terugwerkende kracht wegens onvoldoende bewijs van beschikbaarheid voor arbeid.