ECLI:NL:RBAMS:2012:BW7136
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord in het kader van de schuldsaneringsregeling
Op 20 maart 2012 heeft [verzoekster] een verzoekschrift ingediend bij de Rechtbank Amsterdam om de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren. Gelijktijdig verzocht zij de rechtbank om IDM, haar grootste schuldeiser, te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Deze regeling hield in dat [verzoekster] 9,25% van de concurrente vorderingen en 18,50% van de preferente vordering zou betalen, wat resulteerde in een totale betaling van € 9.807,04 aan de schuldeisers. IDM, die 77,52% van de totale schuldenlast vertegenwoordigt, weigerde echter haar instemming, met als argument dat [verzoekster] niet te goeder trouw had gehandeld bij de totstandkoming van de kredietovereenkomst.
De rechtbank heeft de feiten en omstandigheden van de zaak zorgvuldig gewogen. [verzoekster] is een alleenstaande ondernemer in de particuliere thuiszorg en heeft een wisselend inkomen. De rechtbank concludeert dat de aangeboden schuldregeling voor de schuldeisers gunstiger is dan de wettelijke schuldsaneringsregeling, die ook door [verzoekster] was verzocht. De rechtbank oordeelt dat IDM in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, gezien de voordelen die de schuldeisers zouden behalen bij aanvaarding van het akkoord.
Uiteindelijk heeft de rechtbank IDM bevolen in te stemmen met de schuldregeling en de kosten van het geding aan IDM opgelegd, waarbij de kosten aan de zijde van [verzoekster] op nihil zijn vastgesteld. Dit vonnis heeft dezelfde kracht als de instemming van IDM met de schuldregeling, en het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling vervalt daarmee.