ECLI:NL:RBAMS:2012:BW7136

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
512852 FT RK 12-596
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord in het kader van de schuldsaneringsregeling

Op 20 maart 2012 heeft [verzoekster] een verzoekschrift ingediend bij de Rechtbank Amsterdam om de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren. Gelijktijdig verzocht zij de rechtbank om IDM, haar grootste schuldeiser, te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Deze regeling hield in dat [verzoekster] 9,25% van de concurrente vorderingen en 18,50% van de preferente vordering zou betalen, wat resulteerde in een totale betaling van € 9.807,04 aan de schuldeisers. IDM, die 77,52% van de totale schuldenlast vertegenwoordigt, weigerde echter haar instemming, met als argument dat [verzoekster] niet te goeder trouw had gehandeld bij de totstandkoming van de kredietovereenkomst.

De rechtbank heeft de feiten en omstandigheden van de zaak zorgvuldig gewogen. [verzoekster] is een alleenstaande ondernemer in de particuliere thuiszorg en heeft een wisselend inkomen. De rechtbank concludeert dat de aangeboden schuldregeling voor de schuldeisers gunstiger is dan de wettelijke schuldsaneringsregeling, die ook door [verzoekster] was verzocht. De rechtbank oordeelt dat IDM in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, gezien de voordelen die de schuldeisers zouden behalen bij aanvaarding van het akkoord.

Uiteindelijk heeft de rechtbank IDM bevolen in te stemmen met de schuldregeling en de kosten van het geding aan IDM opgelegd, waarbij de kosten aan de zijde van [verzoekster] op nihil zijn vastgesteld. Dit vonnis heeft dezelfde kracht als de instemming van IDM met de schuldregeling, en het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling vervalt daarmee.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector civiel recht
zaaknummer / rekestnummer: 512852 / FT RK 12-596
Vonnis van 15 mei 2012
in de zaak van
[verzoekster],
geboren op [1950] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
I.D.M. FINANCIERINGEN B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
postadres: Nederlandse Deurwaarders Associatie B.V.,
Postbus 291, 3800 AG Amersfoort,
verweerster.
Partijen zullen hierna [verzoekster] en IDM worden genoemd.
1. De procedure
1.1. Ter griffie van deze rechtbank is op 20 maart 2012 ingekomen een verzoekschrift
strekkende tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling. Gelijktijdig met dit verzoek heeft [verzoekster] een verzoekschrift ingediend waarbij is verzocht om IDM te bevelen in te stemmen met de door [verzoekster] aangeboden schuldregeling (hierna ook wel: (het opleggen van een) dwangakkoord), een en ander als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw).
1.2. Het dwangakkoord is behandeld ter terechtzitting van 8 mei 2012.
[verzoekster] is in persoon verschenen, vergezeld door mevrouw mr. [A], insolventieadviseur bij [X] & Partners (hierna: [X]) en mevrouw [B] (hierna: [B]). De Nederlandse Deurwaarders Associatie B.V. heeft namens IDM bij brief van 1 mei 2012 een verweerschrift ingediend en bericht niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.
1.3. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
2. De feiten
2.1. [verzoekster] is alleenstaand en 62 jaar oud. Zij is vanaf 2007 zelfstandig ondernemer en houdt zich uit dien hoofde bezig met de particuliere thuiszorg. Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat voor [verzoekster] een vrij te laten bedrag is berekend van € 932,96 per maand. [verzoekster] heeft een wisselend maandelijks inkomen. Het toetsingsinkomen 2010 voor de belastingsdienst bedroeg € 26.800,00. De aflossingscapaciteit van [verzoekster] is berekend op € 144,45 per maand.
2.2. Op of omstreeks 15 oktober 2003 is [verzoekster] samen met haar toenmalige partner [B] (hierna: [B]) een kredietovereenkomst met IDM aangegaan, van welk krediet een deel is aangewend ter inlossing van een bestaand krediet bij ABN Amro Bank N.V. (hierna: ABN). De vordering die IDM uit dien hoofde op [verzoekster] heeft bedraagt thans € 78.565,41 en vertegenwoordigt 77,52% van de totale schuldenlast van [verzoekster]. IDM heeft in de schuldsanering van [B] ingestemd met een akkoord op grond waarvan zij 10,19% van haar vordering krijgt betaald.
2.3. [verzoekster] heeft op 7 september 2011 haar schuldeisers een schuldregeling aangeboden. Dit aanbod hield - samengevat - in betaling van 9,25% van de concurrente vorderingen en 18,50% van de preferente vordering tegen finale kwijting. Gelet op de totale schuldenlast van € 101.319,57, is op grond van deze schuldregeling een betaling aan de schuldeisers te verwachten van in totaal
€ 9.807,04 (zijnde 9,25% van € 96.617,07 + 18,50% van € 4.702,50). Daarvan betreft een bedrag van € 4.768,92 de opbrengst van de afkoop van een kapitaalverzekering.
2.4. De onder 2.3. vermelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve IDM aanvaard.
3. Het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord
3.1. [verzoekster] heeft in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling de rechtbank verzocht IDM te bevelen in te stemmen met de onder 2.3. vermelde schuldregeling.
3.2. IDM bestrijdt het verzoek en geeft als reden voor het onthouden van haar instemming dat [verzoekster] niet te goeder trouw heeft gehandeld met betrekking tot de totstandkoming van de betreffende kredietovereenkomst. Nadat het krediet bij ABN was ingelost is dat krediet opnieuw opgenomen, zodat sprake is van bewuste overkreditering, aldus IDM.
4. De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord
4.1. Het verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen als IDM in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [verzoekster] en/of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.
4.2. Allereerst zal bij de beantwoording van voornoemde vraag moeten worden gekeken naar de inhoud van het aangeboden akkoord. Aanvaarding van dit akkoord zal in het onderhavige geval tot gevolg hebben dat een bedrag van € 9.807,04 aan de schuldeisers wordt betaald, waarvan IDM zal ontvangen een bedrag van
€ 7.267,30 (9,25% van € 78.565,41). Dit resultaat zal (in beginsel) moeten worden vergeleken met de situatie dat op [verzoekster] de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard, zoals door haar subsidiair is verzocht. Gelet op de in 2.3. vermelde feiten en/of omstandigheden acht de rechtbank het niet aannemelijk dat in een schuldsaneringssituatie per saldo een hoger bedrag dan
€ 9.807,04 voor de schuldeisers beschikbaar zal zijn doordat [verzoekster] elders in loondienst gaat werken - daarbij rekening houdend met de kosten van de schuldsanering (o.a. bewindvoerdersalaris).
4.3. Nu de vooruitzichten voor IDM als schuldeiser bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, is het uitgangspunt dat IDM op grond van de inhoud van de aangeboden schuldregeling in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling heeft kunnen komen. Immers moet er op grond van deze vooruitzichten van uit worden gegaan dat IDM geen belang heeft bij de weigering van de instemming, terwijl [verzoekster] en de overige schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding van de schuldregeling.
4.4. Hetgeen IDM heeft aangevoerd kan niet tot het oordeel leiden dat IDM ondanks de voordelige inhoud van het akkoord tot afwijzing daarvan had kunnen komen. Als onweersproken staat vast dat [B] zonder [verzoekster] daarvan op de hoogte te stellen het krediet bij ABN opnieuw heeft aangesproken en dat dit krediet niet ten goede van [verzoekster] is gekomen. Van feiten en/of omstandigheden dat [verzoekster] ter zake niet te goeder trouw heeft gehandeld is niet gebleken.
4.5. IDM betoogt terecht dat haar vordering een aanzienlijk deel van de totale schuldenlast vertegenwoordigt (77,52%), maar daar staat tegenover dat [verzoekster] aan 6 schuldeisers de onder 2.3. vermelde schuldregeling heeft aangeboden. Daarvan heeft alleen IDM haar instemming geweigerd. Bovendien krijgen de schuldeisers in het geval van een akkoord de bedragen gelijk uitgekeerd en lopen zij geen risico’s meer als het bijvoorbeeld gaat om inkomensterugval van [verzoekster].
4.6. Het voorgaande leidt ertoe dat IDM op de genoemde gronden niet in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. De rechtbank zal IDM bevelen in te stemmen met de onder 2.3. vermelde schuldregeling. Daarbij zal dit vonnis voor zover nodig in de plaats treden van de instemming van IDM met de onder 2.3. bedoelde schuldregeling.
4.7. Nu het verzoek zal worden toegewezen, komt daarmee het verzoek tot het van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling te vervallen.
4.8. Nu de rechtbank het verzoek toewijst, veroordeelt de rechtbank IDM in de kosten.
[verzoekster] verzoekt de kosten ex artikel 287a lid 6 Fw vast te stellen op € 1.200,00. Nu deze kosten volgens de eigen stellingen van [verzoekster] door [X] rechtstreeks ten laste van de gemeente worden gebracht, valt evenwel niet in te zien dat het gaat om door [verzoekster] gemaakte kosten. Daarom worden de kosten aan de zijde van [verzoekster] begroot op nihil.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. beveelt IDM in te stemmen met de onder 2.3. bedoelde schuldregeling;
5.2. bepaalt dat dit vonnis dezelfde kracht heeft als de instemming van IDM met de onder 2.3. bedoelde schuldregeling;
5.3. veroordeelt IDM in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van [verzoekster] begroot op nihil;
5.4. bepaalt dat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad is.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Degenaar en in het openbaar uitgesproken op
15 mei 2012.