ECLI:NL:RBAMS:2012:BW8253
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen intrekking taxistandplaatsvergunning wegens weigering hond
Verzoeker, houder van een belanghebbendenvergunning voor de taxistandplaats Centraal Station Amsterdam, kreeg zijn vergunning voor twee maanden ingetrokken omdat hij een echtpaar met hun hond had geweigerd te vervoeren. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze intrekking en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de regelgeving en de aan de vergunning verbonden voorschriften onduidelijk en voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn. Uit de voorschriften blijkt niet ondubbelzinnig dat alle honden vervoerd moeten worden, behalve hulp- of blindengeleidehonden. Ook de algemene voorwaarden voor taxivervoer bieden geen duidelijke verplichting tot het meenemen van honden.
Verweerder stelde dat de weigering in strijd was met de voorschriften en dat de intrekking daarom terecht was. Verzoeker voerde aan dat de sanctie disproportioneel was en dat de regels onduidelijk zijn. De voorzieningenrechter gaf verzoeker gelijk en schorst het besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de taxistandplaatsvergunning wordt geschorst en verzoeker mag zijn vergunning per direct weer gebruiken.