ECLI:NL:RBAMS:2012:BW9368
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Hondenbezitter aansprakelijk voor letselschade door hond tijdens uitlaten
In deze zaak vordert eiseres een verklaring voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de letselschade die zij heeft geleden doordat zij ten val kwam tijdens het uitlaten van de hond van gedaagde [B]. De rechtbank stelt vast dat alleen [B] als bezitter van de hond kan worden aangemerkt, niet [C].
De aansprakelijkheid van [B] volgt uit artikel 6:179 BW Pro, dat risicoaansprakelijkheid oplegt aan de bezitter van een dier voor schade veroorzaakt door dat dier. De stelling van gedaagde dat sprake zou zijn van eigen schuld van eiseres wordt verworpen, omdat het uitlaten op eigen initiatief onvoldoende is om aansprakelijkheid te verminderen. Ook de door [B] gestelde waarschuwing aan eiseres wordt niet als voldoende bewijs gezien om aansprakelijkheid te beperken.
De rechtbank oordeelt dat [B] aansprakelijk is voor alle schade die eiseres heeft geleden en nog zal lijden, en veroordeelt haar tot vergoeding daarvan. De vorderingen jegens [C] worden afgewezen. De procedurekosten worden verdeeld zoals in het vonnis vermeld. De schadestaat zal in een aparte procedure worden vastgesteld.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de hondenbezitter [B] tot vergoeding van de door eiseres [A] geleden en nog te lijden schade door het ongeval tijdens het uitlaten van de hond.