ECLI:NL:RBAMS:2012:BX4032

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 12-3372 GEMWT
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.P. Smit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:85 AwbArt. 8:87 AwbParkeerverordening 2009Wet personenvervoer 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing intrekking belanghebbendenvergunning taxistandplaats Centraal Station Amsterdam

De belanghebbendenvergunning van een taxichauffeur voor de standplaats bij het Centraal Station Amsterdam werd voor twee maanden ingetrokken omdat hij op de aanrijdroute passagiers had laten instappen, waardoor het verkeer werd gehinderd. Verweerder baseerde de vergunning op de Parkeerverordening en stelde voorwaarden die ook gedragingen op de openbare weg betroffen, niet alleen op de standplaats zelf.

De voorzieningenrechter stelde vast dat het gedrag van verzoeker plaatsvond op de Ibisweg, een openbare weg met een stopverbod, en dat het de vraag is of verweerder bevoegd was om aan de vergunning voorwaarden te verbinden die zich uitstrekken tot gedrag buiten de taxistandplaats. Gezien deze twijfel over de grondslag en het belastende karakter van het besluit, werd het besluit geschorst.

De voorzieningenrechter wees erop dat deze procedure niet geschikt is om de juiste grondslag van de vergunning definitief vast te stellen; dit zal in de beroepsprocedure moeten worden beoordeeld. Verzoeker kan met ingang van de uitspraak zijn vergunning weer gebruiken. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De intrekking van de belanghebbendenvergunning wordt geschorst vanwege twijfel over de bevoegdheid en grondslag van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 12/3372 GEMWT
mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter op 31 juli 2012 in de zaak tussen
[verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker,
gemachtigde mr. J. Stam,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
verweerder,
gemachtigde mr. J. Pot.
Zitting hebben:
mr. J.P. Smit, voorzieningenrechter,
R.E. Toonen, griffier.
Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde. Aan de zijde van verweerder zijn voorts verschenen [A] en [B], toezichthouders.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit van 4 juli 2012;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 156,- aan verzoeker vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan verzoeker.
Overwegingen
Bij het bestreden besluit van 4 juli 2012 heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat zijn belanghebbendenvergunning voor de taxistandplaats Centraal Station met ingang van 11 juli 2012 voor de duur van twee maanden wordt ingetrokken. Verweerder heeft daarbij overwogen dat door een toezichthouder is geconstateerd dat verzoeker op de toegangsweg naar de standplaats Centraal Station het geldende stopverbod heeft genegeerd en personen in de taxi heeft laten instappen, waardoor vijf à zes auto’s achter hem moest stoppen. Dat heeft de ter plekke beoogde doorstroming van het verkeer belemmerd. Verzoeker heeft zich volgens verweerder dan ook niet gehouden aan voorschrift g. van de aan hem verleende Belanghebbendenvergunning, te weten “hindert en/of houdt het verkeer op de aanrijdroute naar de standplaats, te weten het Stationsplein, niet onnodig op”.
Ter zitting heeft verweerder het in het bestreden besluit ingenomen standpunt laten varen dat verzoeker ook twee klanten heeft geronseld en daarmee in strijd zou hebben gehandeld met voorschrift d. van de Belanghebbendenvergunning.
De Belanghebbendenvergunning biedt verzoeker de mogelijkheid om gebruik te maken van de taxistandplaats bij het Centraal Station. Verweerder heeft deze standplaats als kwaliteitsstandplaats aangewezen. Door het stellen van voorwaarden (kwaliteitseisen) wil verweerder het taxivervoer op die plek in goede banen leiden. Verweerder baseert de vergunning en de daarbij gestelde voorschriften op de Parkeerverordening 2009, laatstelijk gewijzigd op 1 december 2010.
Niet in geschil is dat verzoeker heeft gestopt op het Stationsplein, op het stuk tussen de westelijke onderdoorgang en de brug naar de prins Hendrikkade, dat vanwege de aanwezigheid van het Ibishotel ook wel wordt aangeduid als de Ibisweg. Op dit stuk geldt een stopverbod. Verzoeker heeft hier passagiers laten instappen.
De voorzieningenrechter laat in het midden het standpunt van verzoeker dat de Parkeerverordening niet de juiste grondslag is voor de regulering van het taxivervoer, maar dat deze gevonden zou moeten worden in de Wet personenvervoer 2000. Deze voorzieningenprocedure is niet geschikt om hierover uitsluitsel te geven en dit zal in de beroepsprocedure moeten worden getoetst.
Het is echter wel de vraag of verweerder, nu het verstrekken van de Belanghebbendenvergunning is gebaseerd op de Parkeerverordening, niet buiten zijn bevoegdheid heeft gehandeld door aan de vergunning voorwaarden te verbinden die niet zien op het gedrag op de taxistandplaats zelf (waar de taxi’s parkeren in afwachting van klanten), maar zien op gedrag op de openbare weg, in het bijzonder de aanrijdroute via de Ibisweg.
De voorzieningenrechter stelt vast, aan de hand van de ter zitting bekeken plattegrond, dat verzoeker is gestopt voor de kruising waar de weg zich splitst, de ene kant richting de taxistandplaats, de andere kant de brug over, richting Prins Hendrikkade.
Verweerder zal zich daarom in bezwaar moeten afvragen, en daarover een standpunt moeten innemen, in hoeverre de voorwaarden van de vergunning voor het gebruik maken van de standplaats bij het Centraal Station ook kunnen zien op gedragingen die niet plaatsvinden op de taxistandplaats zelf, maar op de openbare weg.
Gelet op de twijfels over de grondslag van dit belastende besluit ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding het besluit te schorsen. Aan deze schorsing wordt geen termijn verbonden. De voorzieningenrechter wijst daarbij op artikel 8:85, tweede lid onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarin is bepaald dat de voorziening vervalt zodra de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep, alsmede op de in artikel 8:87 van Pro de Awb gegeven mogelijkheid om opheffing te vragen.
Het voorgaande betekent dat verzoeker met ingang van heden weer gebruik kan maken van zijn Belanghebbendenvergunning.
Verweerder zal de forfaitaire proceskosten (een punt voor verzoek en een punt voor de zitting á € 437,- per punt) aan verzoeker moeten vergoeden en ook het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal,
de griffier de voorzieningenrechter
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Afschrift verzonden op:
D: C
Coll:
SB