ECLI:NL:RBAMS:2012:BX4320
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing deelgeschilverzoek over vaststellingsovereenkomst letselschade en AWBZ-voorbehoud
Op 15 mei 1998 liep [C] ernstig hersenletsel op bij een verkeersongeval waarbij meerdere partijen betrokken waren. Haar ouders, [A] en [B], traden op als bewindvoerders en stelden de verzekeraars aansprakelijk. Na erkende aansprakelijkheid ontstond discussie over de vaststellingsovereenkomst, met name over een voorbehoud inzake mogelijke stelselwijzigingen van de AWBZ.
[A] c.s. verzocht de rechtbank om in een deelgeschilprocedure te beslissen over de vraag of een vaststellingsovereenkomst tot stand was gekomen en over de formulering van het AWBZ-voorbehoud. De verzekeraars voerden verweer dat de zaak niet geschikt was voor een deelgeschilprocedure en dat geen overeenstemming bestond over het voorbehoud.
De rechtbank oordeelde dat de deelgeschilprocedure bedoeld is voor geschillen die bijdragen aan het sluiten van een vaststellingsovereenkomst, terwijl hier sprake was van een geschil over de totstandkoming van die overeenkomst zelf. Daarnaast was nader onderzoek nodig, wat buiten het kader van de deelgeschilprocedure valt. Het verzoek werd daarom afgewezen als onterecht en onnodig ingediend, met als gevolg dat de kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Uitkomst: Het verzoek tot beslissing over het deelgeschil wordt afgewezen omdat het niet binnen de deelgeschilprocedure valt.