2. CAK vordert [gedaagde] te veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 498,98, waarvan € 332,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, € 89,25 aan buitengerechtelijke incassokosten en
€ 77,73 aan voor de dagvaarding verschuldigd geworden wettelijke rente, alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.
3. CAK stelt dat zij op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Wet op Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) is belast met de vaststelling en inning van de eigen bijdrage(n) “zorg zonder verblijf”. In opdracht, althans voor rekening van [gedaagde] is in of omstreeks de periode januari 2007 t/m februari 2007 voornoemde zorg verleend en/of zijn hulpmiddelen of voorzieningen verstrekt. [gedaagde] is daarom krachtens de AWBZ en/of de WMO (een) eigen bijdrage verschuldigd. In de betaling van die bijdrage is een achterstand van € 332,00 ontstaan. Deze achterstand bestaat uit de onder 1.1 en 1.2 bedoelde facturen.
[gedaagde] heeft binnen de daarvoor geldende termijnen geen gebruik gemaakt van de uit genoemde wetten voortvloeiende mogelijkheid om een voor beroep vatbare beslissing te verlangen, dan wel een bezwaarschrift in te dienen, voor zover daartegen beroep openstaat. Na herhaalde vergeefse betalingsherinneringen heeft CAK haar vordering ter incasso uit handen moeten geven. Omdat de door de incassogemachtigde gezonden aanmaningen evenmin tot betaling hebben geleid kon CAK niet anders dan betaling in rechte vorderen.
Verweer
4. [gedaagde] vindt het vreemd dat zij eind oktober 2011 door Graydon wordt geconfronteerd met een vordering van CAK die betrekking zou hebben op zorgkosten uit 2006, hetgeen 5 jaar later is. [gedaagde] voert aan in 2006 geen zorg te hebben ontvangen. Wel heeft [gedaagde] van april 2008 t/m juni 2010 gezinsbegeleiding gekregen wegens psychische problemen. Van een eigen bijdrage was toen overigens geen sprake. Toen zij door CAK in september 2011 werd gesommeerd tot betaling van € 343,30 bleek dat achteraf een vergissing te zijn. Sterker nog, [gedaagde] had zelfs recht op een teruggaaf van € 306,00 op grond van een beschikking tegemoetkoming Wtcg over 2010 van CAK, welk bedrag uiteindelijk is ontvangen op 22 december 2012. De 1.3 bedoelde sommatie van Graydon verbaasde haar dan ook. Ze heeft meteen contact gezocht met Graydon omdat zij niet begreep waaruit de vordering bestond. Graydon heeft toen bij CAK de onder 1.1 en 1.2 bedoelde facturen opgevraagd, waaruit bleek dat het ging om zorgkosten over 2006. [gedaagde] was in 2006 echter niet hulpbehoevend en heeft toen vanzelfsprekend geen hulp ontvangen. De zogenoemde ‘Beschikking tot vaststelling van de maximale periodebijdrage’, de ‘Toelichting op maximale periodebijdragen’ en de ‘Toelichting bij de factuur’, die CAK heeft overgelegd, zeggen haar niets.
Beoordeling
5. [gedaagde] betwist de in de facturen genoemde bedragen verschuldigd te zijn. Zij voert daartoe aan in 2006 geen zorg te hebben ontvangen en ook geen zorg nodig te hebben gehad. Voorts kan haar standpunt dat het gaat om nota’s van vijf later worden opgevat als een beroep op verjaring als bedoeld in artikel 3:307 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
6. De vraag of de bedragen als genoemd in de facturen verschuldigd zijn, kan in onderhavig geval slechts via de regels van het bestuursrecht worden beantwoord nu onweersproken is komen vast te staan dat de facturen zijn gebaseerd op een of meer publiekrechterlijke beschikkingen. Volgens CAK moeten de onder 1.1 en 1.2 bedoelde facturen worden gezien als besluiten van een publiekrechtelijk bestuursorgaan. Op zich zelf heeft CAK gelijk als zij stelt dat de civiele rechter niet kan oordelen over de rechtsgeldigheid van besluiten van dergelijke organen, maar dan moet er wel sprake zijn van de zogenoemde formele rechtskracht. Besluiten van publiekrechtelijke bestuursorganen krijgen formele rechtskracht als daartegen geen administratieve rechtsmiddelen meer kunnen worden aangewend. Alleen in dat geval heeft de civiele rechter er vanuit te gaan dat deze besluiten zowel voor wat betreft de wijze van totstandkoming als voor wat betreft de inhoud ervan rechtmatig zijn.
7. Allereerst voert [gedaagde] bij monde van haar echtgenoot aan de facturen pas eind 2011 te hebben ontvangen nadat zij Graydon daarom had verzocht. Op de comparitie verklaarde [gedaagde] voorts de door CAK overgelegde beschikking, brochure en toelichting nooit eerder te hebben ontvangen. CAK verklaarde op de comparitie het onwaarschijnlijk te vinden dat [gedaagde] deze stukken niet zou hebben ontvangen, maar concrete feiten en omstandigheden die haar standpunt kunnen ondersteunen zijn niet gepresenteerd. Zo is gesteld noch gebleken dat de facturen en andere stukken aangetekend zijn verstuurd. Bovendien constateert de kantonrechter dat, gelet op de benaming van de factuur en de opbouw daarvan, uit niets blijkt dat de factuur een besluit is, terwijl ook een rechtsmiddelenvoorlichting ontbreekt. Nu de factuur ook overigens niet is gepresenteerd als een besluit en als zodanig ook niet herkenbaar was, terwijl evenmin duidelijk was dat CAK een bestuursorgaan is, hoefde [gedaagde] er ook niet op bedacht te zijn dat sprake was van een besluit waartegen uitsluitend binnen zes weken bezwaar kon worden gemaakt.
Het CAK heeft weliswaar gesteld dat zij op de rechtsmiddelen heeft gewezen in de toelichting bij de facturen, maar [gedaagde] betwist deze toelichting te hebben ontvangen. Naar het oordeel van de kantonrechter is derhalve niet vast komen te staan dat [gedaagde] op of omstreeks de factuurdata op de hoogte is gesteld van de tegen die facturen openstaande bezwaartermijn van zes weken.
8. Nu de administratieve rechtsgang niet is afgerond, hebben de onder 1.1 en 1.2 bedoelde facturen geen formele rechtskracht gekregen en heeft de kantonrechter als burgerlijke rechter geen rechtsmacht om te oordelen over de verschuldigdheid van deze factuur.
9. Bij deze uitkomst van de procedure wordt CAK veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van [gedaagde]. Nu [gedaagde] zich in deze procedure niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde, dienen deze kosten te worden begroot op nihil.