ECLI:NL:RBAMS:2012:BX8325
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voortijdige opzegging opdrachtovereenkomst artiest en beoordeling arbeidsverhouding BBA
De rechtbank Amsterdam behandelde een geschil tussen een artiest en een producent over de voortijdige opzegging van een opdrachtovereenkomst voor regie en acteerwerk in een musical. De artiest vordert betaling van een gegarandeerd bedrag van €40.450,- en stelt dat sprake is van een arbeidsverhouding in de zin van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (BBA), waardoor opzegging zonder ontslagvergunning niet was toegestaan.
De rechtbank overweegt dat partijen het eens zijn dat geen arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW Pro bestaat, maar dat de vraag is of de overeenkomst als arbeidsverhouding onder het BBA valt. De rechtbank concludeert dat onvoldoende is aangetoond dat de artiest instemde met de opzegging en dat de opzegging met onmiddellijke ingang zonder dringende reden plaatsvond, zodat deze onrechtmatig is.
De rechtbank weegt de omstandigheden en stelt vast dat de artiest zich onprofessioneel heeft gedragen, maar dat dit geen dringende reden vormt voor onmiddellijke beëindiging. De toepasselijkheid van het BBA op de arbeidsverhouding wordt deels betwist en partijen krijgen gelegenheid hun standpunten nader toe te lichten. De schadevergoeding wordt begroot op basis van het inkomen dat de artiest zou hebben genoten bij voortzetting van de overeenkomst tot eind 2011 of begin 2012.
De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van incassokosten af en verwijst de zaak voor nadere aktewisseling over de toepasselijkheid van het BBA en de schadebegroting. De procedure wordt aangehouden voor verdere beslissing.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de opzegging zonder ontslagvergunning en dringende reden onrechtmatig was en houdt de zaak aan voor nadere beoordeling van toepasselijkheid BBA en schadevergoeding.