ECLI:NL:RBAMS:2012:BY0457

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 11-916 WOB
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 10 Wob
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering openbaarmaking documenten calamiteiten IGZ wegens onvoldoende motivering

Eiseres, RTL Nederland B.V., verzocht om openbaarmaking van documenten met betrekking tot calamiteiten en meldingen op grond van de Leidraad Meldingen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) over 2009. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wees dit verzoek af met het primaire besluit van 28 april 2010 en handhaafde dit in het bestreden besluit I van 6 januari 2011.

Na een nieuw besluit op het bezwaarschrift (bestreden besluit II) van 29 maart 2012, waarin de minister opnieuw weigerde de documenten volledig openbaar te maken met een nieuwe grondslag, stelde de rechtbank vast dat dit besluit onvoldoende was gemotiveerd. De minister had niet per informatieveld aangegeven welke weigeringsgrond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van toepassing was en waarom.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, maar verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond en vernietigde dit besluit. De rechtbank droeg de minister op binnen vier weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de motiveringsvereisten en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit II wordt vernietigd vanwege onvoldoende motivering en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 11/916 WOB
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer op 5 juli 2012 in de zaak tussen
de besloten vennootschap RTL Nederland B.V.,
gevestigd te Hilversum,
eiseres,
gemachtigde R.J.E. Vleugels,
en
de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
verweerder,
gemachtigde M.C. Molenaar.
Zitting hebben:
mr. A.M. van der Linden-Kaajan, voorzitter,
mrs. A.D. Belcheva en S.E. Reichert, leden,
mr. M. Vogel-Frishert, griffier.
Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [A]. Verweerder is eveneens vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder verschenen
mr. J.W. Berg.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit II;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 1.311,- (zegge: dertienhonderd elf euro), te betalen aan eiseres;
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,- (zegge: driehonderd twee euro) aan haar te vergoeden.
Overwegingen
1. Bij besluit van 28 april 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om openbaarmaking van documenten met betrekking tot calamiteiten en overige meldingen op grond van de Leidraad Meldingen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) over 2009 afgewezen, omdat het verstrekken van de informatie in de gevraagde vorm redelijkerwijs niet van verweerder kan worden gevergd.
2. Bij besluit van 6 januari 2011 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder met de brief van 29 maart 2012 een nieuw besluit op het bezwaarschrift van eiseres heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb; het bestreden besluit II). De rechtbank stelt verder vast dat dit besluit niet geheel tegemoet komt aan het beroep van eiseres. Het beroep wordt dan ook, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II.
4. Gesteld noch gebleken is dat eiseres nog belang heeft bij het beroep tegen het bestreden besluit I. Dit beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres met het instellen van haar beroep tegen het bestreden besluit I redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt deze kosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) op € 874,-, waarvan één punt voor het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 437,-, wegingsfactor 1. Het door eiseres betaalde griffierecht wordt geacht mede te zijn voldaan ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit II.
6. Verweerder heeft aan het bestreden besluit II ten grondslag gelegd dat niet volledig aan het verzoek van eiseres om openbaarmaking van documenten betreffende meldingen van calamiteiten en overige meldingen aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) tegemoet kan worden gekomen. Verweerder heeft in de documenten de melding, de namen van ziekenhuizen en personen en de bijzondere persoonsgegevens (medische informatie) weggelakt. Volgens verweerder mogen deze gegevens op grond van artikel 10, eerste lid, onder d, en het tweede lid, onder d, e en g, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) geweigerd worden.
7. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit II niet voldoet aan de vereisten die daaraan ingevolge de Awb worden gesteld. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt welke weigeringsgrond op welk informatieveld in de Wob-stukken van toepassing is. Ook heeft verweerder niet gemotiveerd waarom de afzonderlijke weigeringsgronden van toepassing zijn. Het enkel noemen van de weigeringsgronden acht de rechtbank volstrekt onvoldoende. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Nu verweerder in het nieuw te nemen besluit op het bezwaar een belangenafweging dient te maken, acht de rechtbank zich niet in staat om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Gelet op de lange duur van de procedure ziet de rechtbank aanleiding om daar een termijn aan te verbinden van vier weken, ingaande op de dag na verzending van dit proces-verbaal.
8. Nu het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond is ziet de rechtbank aanleiding verweerder ook te veroordelen in de kosten die eiseres met haar beroep tegen dit besluit in redelijkheid heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten met toepassing van het Bpb op € 437,-, gebaseerd op een halve punt voor het nadere beroepschrift en een halve punt voor de nadere zitting, waarde per punt € 437,- met wegingsfactor 1. Verweerder dient verder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te voldoen.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Waarvan proces-verbaal,
de griffier, de voorzitter,
Afschrift verzonden op:
D: B
SB