ECLI:NL:RBAMS:2012:BY2655
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toestemming tot overlevering voor oplichting ondanks betwisting rechtsmachtvereiste
De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Poolse rechtbank. Het EAB betrof een veroordeling voor oplichting, waarbij de verdachte valse gegevens verstrekte om een lening te verkrijgen en zich voordeed als betrouwbaar persoon.
De verdediging voerde aan dat de feitenomschrijving in het EAB onvoldoende was voor dubbele strafbaarheid en betwistte dat het rechtsmachtvereiste van artikel 6, vijfde lid, Overleveringswet (OLW) was vervuld, mede omdat de verdachte langdurig in Nederland verbleef en geïntegreerd zou zijn. De officier van justitie stelde dat de opzet voor oplichting wel voldoende uit het EAB bleek en dat de verdachte niet gelijkgesteld kon worden aan een Nederlandse burger.
De rechtbank oordeelde dat de feitenomschrijving in het EAB voldoende was om dubbele strafbaarheid aan te nemen en kwalificeerde het handelen als oplichting. Tevens stelde de rechtbank vast dat onvoldoende concrete en objectieve gegevens waren overgelegd om het rechtsmachtvereiste van artikel 6, vijfde lid, OLW te laten vervallen. Gezien dit oordeel wees de rechtbank het verweer af en stond de overlevering toe voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van twee jaar in Polen.
De rechtbank zag geen aanleiding om te oordelen over de vermeende strijdigheid van het rechtsmachtvereiste met het antidiscriminatiebeginsel, omdat het vereiste niet was vervuld. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering toe voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van twee jaar wegens oplichting.