ECLI:NL:RBAMS:2012:BY2657

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
13/706642-12
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 321 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLW
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering wegens verduistering mobiele telefoon

De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 september 2012 een vordering tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Poolse rechtbank. De verdachte, geboren in Polen en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd veroordeeld voor verduistering van een mobiele telefoon die hij had gevonden en niet had teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar.

De verdediging betwistte de dubbele strafbaarheid en stelde dat het om een bagatelfeit ging, terwijl de officier van justitie het feit kwalificeerde als verduistering onder Nederlands recht. De rechtbank oordeelde dat sprake was van opzettelijke en wederrechtelijke toe-eigening, wat voldoet aan de dubbele strafbaarheidsvereiste volgens artikel 321 Sr Pro.

Verder werd vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van het vonnis en de mogelijkheid tot het aanwenden van rechtsmiddelen, maar hiervan geen gebruik had gemaakt. De rechtbank verwierp het verweer dat de overlevering onevenredig zou zijn en concludeerde dat geen weigeringsgronden van artikel 12 OLW Pro van toepassing zijn.

De rechtbank besloot de overlevering toe te staan voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van één jaar in Polen. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe voor de uitvoering van een gevangenisstraf van één jaar wegens verduistering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/706642-12
RK nummer: 12/5801
Datum uitspraak: 25 september 2012
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 augustus 2012 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 mei 2012 door the Judge of the Circuit Court in Lublin, Polen, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [plaats], Polen, op [1991],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gede¬tineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘[locatie]’,
Huis van Bewaring ‘[locatie]’ te [plaats],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 september 2012. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat te Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, gewezen door the District Court in Pulawy, Polen, op 19 februari 2009, referentienr. VI K 967/08.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van een jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4. Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, lid 1, onder a, 2e van de OLW gestelde eisen.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft bestreden dat van dubbele strafbaarheid sprake zou kunnen zijn, nu het feitencomplex betrekking heeft op een voorwerp (mobiele telefoon) dat de opgeëiste persoon heeft gevonden en behouden.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat het feit naar Nederlands recht gekwalificeerd kan worden als verduistering en derhalve aan de voorwaarde van dubbele strafbaarheid is voldaan.
Oordeel rechtbank
Uit de feitsomschrijving blijkt dat de opgeëiste persoon is veroordeeld voor het zich toe-eigenen van een mobiele telefoon die hij had gevonden maar die aan een ander toebehoorde. Nu de opgeëiste persoon er kennelijk voor heeft gekozen dit voorwerp te behouden en geen stappen heeft ondernomen om de telefoon bij de rechtmatige eigenaar terug te bezorgen (bijvoorbeeld door de telefoon af te geven aan de politie) is sprake van een opzettelijke en wederrechtelijke toe-eigening van een voorwerp dat aan een ander toebehoort en dat de opgeëiste persoon, anders dan door misdrijf (namelijk door een vondst), onder zich had. Dit feit levert naar Nederlands recht op verduistering, zoals bedoeld in artikel 321 van Pro het Wetboek van Strafrecht en het wordt bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.
De rechtbank stelt dan ook vast dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar is en dat op dit feit in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.
5. Overige verweren
5.1 Artikel 12 van Pro de OLW
Standpunt verdediging
Het EAB en de door de uitvaardigende justitiële autoriteit nadien verstrekte informatie (de brief d.d. 31 augustus 2012) bevat onvoldoende gegevens om vast te kunnen stellen of de weigeringsgrond van artikel 12 van Pro de OLW aan de orde is. In dat opzicht is het EAB ongenoegzaam.
Standpunt officier van justitie
Omdat in het EAB onder D vet gedrukt staat dat de opgeëiste persoon niet ter zitting aanwezig is geweest, maar verder niet stond aangegeven of de opgeëiste persoon van het instellen van een rechtsmiddel tegen het vonnis had afgezien, of de tijd die daarvoor staat had laten verlopen, zijn vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De brief van 31 augustus 2012 is daar het antwoord op, waarbij de officier van justitie met name wijst op het slot van de eerste alinea. De weigeringsgrond is dan ook niet aan de orde, aldus de officier van justitie.
Oordeel rechtbank
De rechtbank volgt de officier van justitie in zijn standpunt. Uit de brief d.d. 31 augustus 2012 blijkt dat het vonnis aan de opgeëiste persoon is betekend: hij heeft een afschrift van het vonnis persoonlijk afgehaald en is daarbij op de hoogte geraakt van de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden. Hij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt en de tijd om een rechtsmiddel in te stellen is verlopen. Onder deze omstandigheden is de weigeringsgrond van artikel 12 van Pro de OLW evident niet aan de orde. De rechtbank beschouwt de informatie in het EAB, in samenhang met de genoemde brief, als genoegzaam.
5.2.1 Evenredigheid
Standpunt verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat het hier een zogenaamd ‘bagatelfeit’ betreft, door de opgeëiste persoon begaan toen hij 17 jaar oud was. Dat hij alsnog de opgelegde straf zou moeten gaan uitzitten staat in geen verhouding tot de ernst van het feit.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft dit standpunt bestreden. De opgelegde straf lijkt inderdaad aan de forse kant maar die beoordeling is niet aan de Nederlandse rechtbank of officier van justitie. Feit is dat de straf is opgelegd en dat in verband daarmee de overlevering wordt gevraagd.
Oordeel rechtbank
Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of er sprake is van een bagatelfeit. Het gaat om de verduistering van een mobiele telefoon, een feit waarvoor naar Nederlands recht ook een aanzienlijke vrijheidsstraf kan worden opgelegd. Er moet van worden uitgegaan dat de door de raadsman bedoelde afweging bij het uitvaardigen van het EAB reeds is gemaakt en dat deze afweging heeft geresulteerd in het verzoek om overlevering van de opgeëiste persoon teneinde de opgelegde straf te ondergaan. Het verweer wordt dan ook verworpen, de verzochte overlevering is niet onevenredig.
6. Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van Pro de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
7. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 321 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 van de OLW.
8. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Judge of the Circuit Court in Lublin, Polen, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf van één jaar, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. J.W. Vriethoff, voorzit¬ter,
mrs. J.O. Rutten en M.J. Alink, rech¬ters,
in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, grif¬fier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 25 september 2012.
De griffier is buiten staat deze uitspraak
mede te ondertekenen.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak
mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, lid 2 OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
[C]