Het dagelijks bestuur van stadsdeel Oost stelde een uitgezonderde markt in op het Joris Ivensplein te Amsterdam voor een proefperiode van twee jaar. Eisers, bestaande uit tien marktdeelnemers, stelden beroep in tegen dit besluit. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet bevoegd was om deze markt in te stellen omdat niet was voldaan aan de vereiste van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, van de Verordening op de straathandel 2008.
De rechtbank stelde vast dat eisers onder 5 tot en met 10 geen zienswijze hadden ingediend en verklaarde hun beroep niet-ontvankelijk. De kern van het geschil betrof de uitleg van de bevoegdheid van verweerder. Verweerder beriep zich op de wens om een ‘markt op afstand’ te organiseren door een private partij, maar de rechtbank vond dat dit op zichzelf geen bijzonder geval vormde.
De rechtbank vernietigde het instellingsbesluit wegens strijd met de bevoegdheidsnorm en wees het verzoek om schadevergoeding van eisers onder 2 tot en met 10 af. Voor eiseres onder 1 werd het onderzoek naar schadevergoeding heropend. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers onder 1 tot en met 4.