Eiser heeft een vervangingsvergunning aangevraagd voor het vervangen van een woonboot, waarbij aanvankelijk een verkeerde blauwdruk (blauwdruk I) is toegezonden in plaats van de juiste blauwdruk II. Verweerder heeft later met terugwerkende kracht het besluit gewijzigd door blauwdruk II aan de vergunning te verbinden. Eiser voerde aan dat verweerder niet bevoegd was tot deze wijziging en dat hij door het gewekte vertrouwen en de late wijziging schade leed.
De rechtbank oordeelt dat een bestuursorgaan in beginsel bevoegd is om een onjuist besluit te herzien, mits dit niet in strijd is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hoewel de Verordening expliciete gronden voor intrekking en wijziging noemt, sluit dit niet uit dat een bevoegdheid tot herstel van evidente fouten bestaat. De beroepsgrond van onbevoegdheid faalt daarom.
Subsidiair stelt eiser dat verweerder niet in redelijkheid tot wijziging kon overgaan vanwege het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank acht dit gegrond omdat verweerder eerst de last onder dwangsom introk en een handhaving op blauwdruk I aankondigde, waardoor eiser mocht vertrouwen op die situatie. De latere wijziging bracht aanzienlijke financiële gevolgen mee die niet voor rekening van eiser kunnen komen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en treedt zelf in de plaats daarvan. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.