Twee zussen zijn gezamenlijk eigenaar van een erfpachtrecht met daarop een woonhuis. Zij zijn in geschil geraakt over de verdeling van dit erfpachtrecht en de wijze waarop dit moet plaatsvinden. De eiseres vordert splitsing van het erfpachtrecht in appartementsrechten met toewijzing van de tweede verdieping en zolder aan haar en de begane grond, eerste verdieping en tuin aan de gedaagde. Daarnaast vordert zij dat de gedaagde volledig meewerkt aan de splitsing.
De gedaagde verzet zich tegen de splitsing en vordert toedeling van het gehele erfpachtrecht aan haar, stellende dat splitsing meer nadelen heeft en niet zal leiden tot oplossing van de onenigheden. De rechtbank oordeelt dat geen voldoende verschil in belang bestaat om toedeling aan de gedaagde toe te wijzen en wijst de reconventionele vordering af.
De rechtbank overweegt dat splitsing weliswaar niet alle conflicten zal oplossen, maar wel leidt tot minder gemeenschappelijke kosten en een overzichtelijker beheerssituatie. De mogelijke overlast door de splitsing weegt minder zwaar dan de voordelen. De rechtbank beveelt daarom splitsing toe, waarbij de eiseres het bovenste appartementsrecht krijgt en de gedaagde het onderste, met gelijke kostenverdeling. Tevens wordt een dwangsom opgelegd voor niet-medewerking aan de splitsing.