Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Gewestelijke Rechtbank te Ústi nad Labem(Tsjechië) en strekt tot de aanhouding en overlevering:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
veroordelend vonnis d.d. 03.09.1998 dat in kracht in gewijsde is gegaan op 27.05.1999, referentie 1T 34/96, 9 To 110/98.
nemo debet bis vexari, het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en het beginsel van rechtszekerheid. Kort samengevat, heeft hij daartoe het volgende aangevoerd.
nemo debet bis vexari, analoog toegepast op de overleveringsprocedure, staat in de weg aan de overlevering.
LJNBW0696). Hetzelfde geldt vanzelfsprekend ook voor een geval waarin de uitleveringsrechter de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard, maar de Minister van Justitie het verzoek tot uitlevering heeft afgewezen.
nemo debet bis vexari.
LJNBT2515, r.o. 2.5, ten aanzien van uitlevering).
hetzelfdeEAB opnieuw heeft ingezonden, leidt niet tot een ander oordeel.
PbEG2002, L 190). Het Kaderbesluit beoogt “met de instelling van een nieuwe vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd, de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen aan de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan” (zie laatstelijk HvJ EU 26 februari 2013, zaak C-399/11 (Melloni), r.o. 37). De autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie zijn “in beginsel verplicht gevolg te geven aan een Europees aanhoudingsbevel”, behoudens in de limitatieve in het Kaderbesluit opgesomde gevallen waarin zij de overlevering moeten of mogen weigeren (zie laatstelijk HvJ EU 26 februari 2013, zaak C-399/11 (Melloni), r.o. 38).
5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
- i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en dat zij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over haar recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij zij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
- ii) zij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen zij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
6.Strafbaarheid
PbEG2002, L 190, blz. 1; hierna Kaderbesluit EAB). Indien tegen een onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat een EAB is uitgevaardigd ten behoeve van strafvervolging, mag de overlevering op grond van artikel 5, punt 3, Kaderbesluit EAB afhankelijk worden gesteld van de garantie “dat de persoon, na te zijn berecht, wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat”. Deze bepaling strekt er met name toe “de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen een bijzonder gewicht te hechten aan de mogelijkheid de kansen op sociale re-integratie van de gezochte persoon na het einde van de straf waartoe deze is veroordeeld, te verhogen” (HvJ EU 21 oktober 2010, zaak C-306/09 (I.B.), r.o. 52; HvJ EU 28 juni 2012, zaak C-192/12 PPU (West), r.o. 70).
LJNBR7022).
NJ2009, 591 (Wolzenburg), r.o. 61-62; HvJ EU 5 september 2012, zaak C-42/11 (Lopes Da Silva Jorge), r.o. 33-34). De rechtsmachtvoorwaarde levert zo een beperking op en is daarom als zodanig niet in strijd met artikel 5, punt 3, Kaderbesluit EAB. Dit laat evenwel onverlet dat de lidstaten bij de implementatie van deze bepaling artikel 18 VWEU Pro moeten naleven (HvJ EU 5 september 2012, zaak C-42/11 (Lopes Da Silva Jorge), r.o. 39).
NJ2009, 591 (Wolzenburg), r.o. 46).
NJ2009, 591 (Wolzenburg), r.o. 47).
LJNBJ1773).
LJNBJ1773.
LJNBJ1773). De rechtbank ziet thans echter aanleiding voor een nuancering van dat oordeel. Daarvoor zijn de volgende overwegingen redengevend.
NJ2009, 591 (Wolzenburg), r.o. 67-68; HvJ EU 5 september 2012, zaak C-42/11 (Lopes Da Silva Jorge), r.o. 40). De officier van justitie heeft op dit punt niets aangevoerd. Niet gesteld kan worden dat de rechtsmachtvoorwaarde een bijdrage levert aan het beoogde doel van artikel 5, punt 3, Kaderbesluit EAB, zijnde het verhogen van de kansen op sociale re-integratie van de betrokken vreemdeling. Het stellen van deze voorwaarde leidt er namelijk toe dat vreemdelingen die, gelet op hun band met Nederland, in aanmerking zouden kunnen komen voor sociale re-integratie in de Nederlandse maatschappij moeten worden overgeleverd zonder de garantie dat zij de aan hen eventueel opgelegde vrijheidsstraf in Nederland zullen mogen ondergaan.
NJ2009, 591 (Wolzenburg), r.o. 69).
zonder meerevenredig aan de nagestreefde doelstelling. In een dergelijk geval bestaat de mogelijkheid dat de rechtsmachtvoorwaarde verder gaat dan noodzakelijk is om de doelstelling van het vermijden van straffeloosheid te bereiken, omdat niet vaststaat dat de opgeëiste persoon zonder het hanteren van de rechtsmachtvoorwaarde straffeloos zal blijven. Straffeloosheid blijft immers uit als een terugkeergarantie wordt verstrekt.
8.Beslissing
voor onbepaalde tijd, doch maximaal twee maanden, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie op te vragen.