Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2013:7838

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 november 2013
Publicatiedatum
27 november 2013
Zaaknummer
HA ZA 13-709
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:10 BWArt. 2 RvArt. 224 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot zekerheidstelling proceskosten wegens woonplaats in Nederland

In deze civiele procedure vordert gedaagde in een incident zekerheidstelling voor proceskosten van eiseres, stellende dat eiseres haar woonplaats of gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, maar vermoedelijk in Suriname verblijft.

Eiseres voert verweer dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit, sinds 1976 in Nederland woonachtig is en sinds april 2012 feitelijk verblijft op het adres van haar dochter in Nederland. Haar verblijf in Suriname betreft slechts incidentele vakantie- en familiebezoeken. Zij stelt dat haar sociale en economische belangen in Nederland zijn gevestigd.

De rechtbank beoordeelt de woonplaats aan de hand van artikel 1:10 BW Pro en het begrip gewone verblijfplaats volgens artikel 2 Rv Pro, waarbij zij belang hecht aan de verklaring van de dochter en het ontbreken van betwisting daarop. De stelling van gedaagde dat eiseres haar woonplaats niet in Nederland heeft, wordt onvoldoende gemotiveerd geacht.

Daarom wordt het verzoek tot zekerheidstelling afgewezen en wordt gedaagde veroordeeld in de kosten van het incident. De hoofdzaak wordt op 20 november 2013 verder behandeld.

Uitkomst: Het verzoek tot zekerheidstelling voor proceskosten wordt afgewezen omdat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland is.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/544814 / HA ZA 13-709
Vonnis in incident van 6 november 2013
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats 1],
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. E.V. Brunings,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. M.W.M. Heijlaerts.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 25 juni 2013, met producties,
  • de conclusie van antwoord tevens houdende incident tot zekerheidsstelling voor proceskosten ex artikel 224 Rv Pro, met producties,
  • de antwoordakte in het incident, met producties,
  • de brief van mr. Brunings van 29 augustus 2013, met 1 productie,
  • de akte uitlaten producties in het incident, tevens uitvoerbaar bij voorraad verklaring in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De vordering in de hoofdzaak

2.1.
[eiseres] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van het verlies van haar sieraden;
II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 30.480,00, bij wijze van voorschot, te vermeerderen met wettelijke rente;
III. over te gaan tot benoeming van een deskundige om de werkelijke waarde van de sieraden vast te stellen en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de werkelijke waarde van de sieraden;
IV. te bepalen dat [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd is over het bedrag dat hij werkelijk aan [eiseres] verschuldigd blijkt te zijn;
V. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure.
2.2.
[gedaagde] heeft aan haar vordering het volgende ten grondslag gelegd. [eiseres] heeft in de periode april 2012 tot en met juni 2012 een groot deel van haar sieraden beleend bij de Stadsbank van Lening. Zij heeft [gedaagde] verzocht het beleenrecht van € 2.954,68 aan de Stadsbank van Lening te voldoen. [gedaagde] heeft aan dit verzoek onder voorwaarden voldaan, welke voorwaarden door [eiseres] zijn geaccepteerd. [gedaagde] heeft ten onrechte de beleende sieraden opgenomen en tot een klomp goud omgesmolten. Als gevolg daarvan kan hij niet meer voldoen aan zijn verplichting tot teruggave aan [eiseres] van de akten van belening dan wel haar sieraden.
2.3.
[gedaagde] voert verweer.

3.Het geschil in het incident

3.1.
[gedaagde] vordert [eiseres] te veroordelen tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten ex artikel 224 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
3.2.
[gedaagde] legt daaraan ten grondslag dat volgens het afschrift uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Amsterdam van 5 juli 2013, [eiseres] op 25 juni 2012 met onbekende bestemming uit de gemeente Amsterdam is vertrokken. Vermoedelijk woont [eiseres] in Suriname, aldus [gedaagde].
3.3.
[eiseres] voert verweer. Zij heeft de Nederlandse nationaliteit en is sinds 1976 in Nederland woonachtig. In april 2012 heeft de verhuurder van de woning in Amsterdam waar [eiseres] tot dat moment in woonde, de huurovereenkomst laten ontbinden. Sinds dat moment heeft [eiseres] haar werkelijke verblijf op het adres van haar dochter aan [straatnaam 1]. Zij verblijft slechts voor vakantie- en/of familiebezoek om de zoveel tijd in Suriname. Het centrum van haar sociale en economische activiteiten bevindt zich in Nederland. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen, volgens [eiseres]. Bovendien geldt volgens haar dat redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor een eventuele veroordeling tot betaling van de proceskosten in Nederland mogelijk is, zodat het verzoek ook op die grond dient te worden afgewezen. Ten slotte, aldus nog steeds [eiseres], geldt zelfs als juist zou zijn dat zij haar gewone verblijfplaats in Suriname heeft, dat het verzoek op grond van artikel 224 lid 2 onder Pro b Rv dient te worden afgewezen.
3.4.
[gedaagde] heeft in reactie op het verweer van [eiseres] aangevoerd dat op grond van het verweer van [eiseres] onduidelijk blijft of zij haar gewone verblijfplaats in Nederland dan wel in Suriname heeft. Tegen die achtergrond dient het verzoek tot zekerheidstelling voor de proceskosten te worden toegewezen, aldus [gedaagde].
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling in het incident

4.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv Pro zijn allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen op vordering van de wederpartij verplicht zekerheid te stellen voor de proceskosten. Die verplichting bestaat op grond van artikel 224 lid 2 onder Pro b Rv niet, indien de proceskostenveroordeling executabel is in het woonland van de eisende partij. Ook bestaat die verplichting op grond van artikel 224 lid 2 onder Pro c Rv niet indien redelijkerwijs aannemelijk is dat er in Nederland een verhaalsmogelijkheid voor de proceskostenveroordeling zal zijn.
4.2.
Partijen twisten over de vraag of [eiseres] haar woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Volgens artikel 1:10 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een natuurlijk persoon zijn woonplaats daar waar zijn woonstede is. Het antwoord op die vraag wordt volgens een arrest van de Hoge Raad van 19 januari 1980 bepaald aan de hand van de vraag waar iemand woont met zijn gezin, waar hij de zetel van zijn fortuin heeft, waar hij zijn zaken behartigt en waar hij zijn goederen en eigendommen beheert. Het begrip gewone verblijfplaats staat volgens artikel 2 Rv Pro voor de maatschappelijke verblijfplaats van een persoon, hetgeen in grote mate een kwestie is van waardering van de feiten van het geval. Wel is een zekere duur van het verblijf vereist, volgens het commentaar op dit artikel. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde], in het licht van de gemotiveerde betwisting door [eiseres], onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat [eiseres] geen woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in Nederland. Daarbij acht de rechtbank van belang dat [eiseres] een verklaring van haar dochter in het geding heeft gebracht waarin staat dat [eiseres] sinds april 2012 bij haar in haar woning aan [straatnaam 1] woont. Deze verklaring is door [gedaagde] niet betwist. De stelling van [gedaagde] dat [eiseres] kennelijk met grote regelmaat in Suriname verblijft en aldus niet haar woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland zou hebben, wordt verworpen, nu deze stelling slechts is gebaseerd op de mededeling van [eiseres] dat zij ‘om de zoveel tijd’ in Suriname vertoeft voor vakantie- en/of familiebezoek. Het verzoek tot zekerheidsstelling wordt derhalve afgewezen.
4.3.
Voorgaande betekent dat de incidentele vordering zal worden afgewezen. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst het gevorderde af,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 452,00,
in de hoofdzaak
5.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
20 november 2013voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2013. [1]

Voetnoten

1.type: MGV