Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis in het incident van 16 oktober 2013,
- de akte van Gita, met producties,
- de akte van ABN.
Rechtbank Amsterdam
In deze civiele procedure tussen de Turkse vennootschap Gita Çelik ve Insaat Sanayi Ticaret Ltd Sirketi en ABN AMRO Bank N.V. staat de vraag centraal of Gita, die in Turkije failliet is verklaard, bevoegd is om zelfstandig een rechtsvordering in Nederland tegen ABN AMRO in te stellen.
De rechtbank heeft in een tussenvonnis van 16 oktober 2013 aangekondigd het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) om een rapport te vragen over deze bevoegdheid, waarbij partijen de mogelijkheid kregen om zich uit te laten over de vraagstelling. ABN AMRO stelde een meer toegespitste vraag voor, die door de rechtbank is overgenomen, terwijl Gita verzocht heeft om een uitspraak van het Hof te Ankara van 22 juni 2010 te betrekken.
De rechtbank heeft de vraagstelling aan het IJI aangepast op basis van opmerkingen van partijen, onder meer over de datum van aanstelling van de curatoren (administrators) en omstandigheden rondom de faillissementsprocedure in Turkije. Een verzoek van Gita om bepaalde Turkse producties mee te nemen is afgewezen vanwege taalbarrière en gebrek aan reactie van ABN AMRO.
De rechtbank heeft het IJI verzocht vóór 1 april 2014 een rapport uit te brengen, waarna partijen gelegenheid krijgen zich uit te laten. De zaak is vervolgens op de parkeerrol geplaatst, met aanhouding van verdere beslissingen.
Uitkomst: De rechtbank verzoekt het Internationaal Juridisch Instituut om een rapport over de bevoegdheid van de Turkse failliete vennootschap om een rechtsvordering in Nederland in te stellen en houdt verdere beslissing aan.